DE MANTEL
Martinus was een Romeins soldatenofficier. Hij leefde in Italië toen hij de opdracht kreeg om met zijn legermakkers naar Gallië (= het huidige Frankrijk) te verhuizen. Na ettelijke weken kwamen ze in het noorden van Frankrijk aan, in de stad Amiens. Toen ze doodvermoeid de stadspoort naderden zag hij een bedelaar, naakt en bibberend van de kou. Martinus kreeg medelijden met de man, deed zijn mantel af, trok zijn zwaard en sneed de mantel in tweeën. Eén helft gaf hij aan de naakte man. Vervolgens reed hij door de poort de stad in en keek niet meer om. Zijn medesoldaten schudden het hoofd. En de mensen van Amiens, die het gebeurde gezien hadden, lachten Martinus vierkant uit.
's Nachts had Martinus een droom. Hij zag Jezus op de berg Golgotha en hoe men Hem de kleren van het lijf rukte en Hem aan het kruis hing. Maar tegelijk zag hij de man die bibberend aan de stadspoort van Amiens zat. De twee mannen leken zo op elkaar, dat Martinus hen niet uit elkaar kon houden. Die aan het kruis, was dat niet de bedelaar? En de man aan de stadspoort, was dat niet Jezus? Martinus werd wakker en wreef zich in de ogen. Wat een vreemde droom!
Bij het ontwaken van de zon stond Martinus op. Hij ging naar de steeg waar de priester van Amiens woonde, klopte aan en werd binnengelaten. Martinus zei: 'Toen ik nog een kind was, eerwaarde vader, ben ik eens in een kerk gevlucht voor het onweer. Daar hoorde ik voor het eerst over Jezus spreken. Ik vernam dat de mensen die in hem geloven, christenen worden genoemd. Sindsdien heb ik vaak gedacht aan die Jezus die gekruisigd is. Vannacht heb ik zelfs van Hem gedroomd. Ik zou meer willen weten over Jezus en over de mensen die men christenen noemt. Zou u mij willen onderwijzen?'
Martinus vertelde de priester dat hij de avond tevoren de helft van zijn mantel aan een bedelaar gegeven had. Hij vertelde ook dat Jezus 's nachts aan hem verschenen was en dat Hij die halve mantel om zijn schouders droeg. De priester keek hem aan en zei: 'En jij zou niet weten wat een christen is? Je bent zelf een christen. Immers, jij hebt gedaan wat christenen behoren te doen: een mens die in nood is helpen, en delen wat je hebt, in plaats van hem achteloos voorbij te gaan en te doen of je hem niet ziet.'
Van toen af ging Martinus bijna dagelijks naar de priester. Ze lazen samen in een boek met verhalen over Jezus. Dat boek heette 'de bijbel'.
Van Jezus werd verteld dat hij een licht in de duisternis was voor de mensen. Vaak lazen ze tot de olielamp uitging en hun ogen pijn deden. Op een keer lazen ze dat Jezus gezegd had: 'Al wat je een van deze minste broeders van mij hebt gedaan, heb je Mij gedaan.' Toen begreep Martinus zijn vreemde droom.
|