Er was eens een kaboutertje, dat heette Ruitje Lap. Hij was een heel klein stouterdje, maar hij was ook erg knap!
Hij woonde in een paddestoel, in 't bos van Broer Konijn; daar woonden nog een heleboel kabouters! Dat was fijn!
Ze liepen door het grote bos met schep en bijl en zaag; ze speelden op het groene mos; dat doen kabouters graag!
Als je ze daar zag lopen, kijk dan was 't een beetje raar: ze waren allemaal gelijk! Wíe kent ze uit elkaar?
Maar ... ben je slim en ben je knap, dan vind je Ruitje er uit, want op z'n broekje zit een lap, een lapje-met-een-ruit!
Was dat geen leuke, fijne grap van onze kleine Ruitje Lap?
De herfst trok door Kabouterbos en blies z'n wangen rond. Hij rukte alle bladen los en smeet ze op de grond.
En de kabouters zuchtten maar en deden niets dan klagen: 'Wat is die herfst toch vreeslijk naar, het regent nu al dertien dagen!'
En wie naar buiten moest, zei: 'Hu!' en droeg een grote paraplu.
En elke greppel, elke goot was nu veranderd in een sloot!
Je zag langs de kabouter-bomen alleen maar water, water stromen. En een professor zei: 'Ziehier nu het ontstaan van een rivier!'
Maar Ruitje Lap, de kleine slimmerd, trok zich van 't weer geen ziertje aan, want hij had zich een boot getimmerd! Nu kon hij fijn uit varen gaan!
En de and're dag, om negen uur, of misschien was het even later, begon het grote avontuur: hij liet z'n nieuwe boot te water!
En Ruitje Lap riep: 'Opgelet!' Maar de kabouters schudden met hun wijze, grijze hoofden, omdat ze niet geloofden, dat je met deze kleine boot kon varen in zó'n grote sloot.
Maar Ruitje hees z'n zeiltje en zwaaide met z'n bijltje en riep van 'ha!' en 'ho!' en 'hui!' 'Ik kom weerom! Tot weerziens lui!'
En zo is Ruitje onverschrokken de wijde wereld ingetrokken.
Maar na een uurtje, was 't niet mal? Daar kwam hij bij een waterval!
Die waterval, die ruiste niet zachtjes, maar die bruiste! Want hij was hoger dan een kerk! En hij was machtig! Hij was sterk!
Het water spoot en spetterde, het klaterde en kletterde maar aldoor naar benee. O, Ruitje Lap, o wee!
En alle vissen riepen: 'Stop!' En alle kikkers: 'O, houd op!' En Ruitje zelf riep: 'Nee, o nee! Help! Help me toch! O wee, o wee! Ik wil niet mee! Ik wil niet mee!'
En als hij een tel had gewacht, was Ruitje door de grote kracht van 't woeste water meegenomen en in de golven omgekomen!
Maar achter in z'n bootje lag z'n kleine paraplu en Ruitje greep hem met een slag en opende hem nu!
Het windje blies er even onder en zie, was dat geen heel groot wonder? Het bootje hipte en hupte even en toen begon het heus te zweven! Zo redde Ruitje Lap z'n leven!
Hij zakte langzaam, heel heel traag, over de waterval omlaag.
En Ruitje riep: 'Mijn parapluutje is nu precies een parachuutje!'
De waterval die spetterde en klaterde en kletterde nog harder dan voorheen en hij keek heel gemeen naar onze kleine, slimme guit. Maar Ruitje riep: 'Sliep-uit! Sliep uit!'
En nauw'lijks vijf minuutjes later, daar landde 't bootje weer op 't water. En Ruitje riep, zo hard hij kon: 'Nu vaar ik naar de horizon!'
Maar in het water lag, heel stil, een grote, groene krokodil. Die grinnikte heel blij en zei: 'Dat fijne hapje is voor mij!'
En onze Ruitje zeilde maar heel gezellig voort. Hij stak z'n kleine bijltje een eindje buiten boord.
Dat was heel slim van Ruitje, want sturen was een toer! Maar kijk, nu had het schuitje meteen een handig roer!
En Ruitje zong een liedje van heisa-hop, hoezee! Van wiede-wiede-wiedje, zeg jongens, vaar je mee?
O Ruitje, Ruitje houd je stil! Daar ligt een groene krokodil, die jou verslinden wil!
De krokodil lag heel bedaard te kwispelstaarten met z'n staart en als hij dat niet had gedaan, zag je hem voor een boomstam aan.
Maar plots'ling, met een ruk, daar schoot hij regelrecht naar Ruitjes boot, met al z'n sterke tanden bloot! O wee, wat was hij sterk en groot!
En Ruitje zag hem en hij rilde; hij nam z'n bijltje en hij gilde: 'Ga weg, naar beest! Vooruit! Opzij! Of je krijgt een pak slaag van mij!'
De krokodil, die lachte luid en stak z'n lange tong eens uit. Hij deed z'n bek nog verder open en zie, dat moest hij duur bekopen!
Want Ruitje - wie had dat gedacht? - wierp vlug z'n bijltje, lang niet zacht, in die verschrikkelijk grote bek! En o, wat nu? Was dat niet gek? Was dat niet keurig, knap gedaan? Het bijltje bleef daar rechtop staan!
En onze kleine Ruitje Lap moest vreeslijk lachen om de grap! Nou, 't was ook wel een vreemd gezicht: die grote bek kon nooit weer dicht!
De krokodil, heel wild en woest, wist niet wat hij beginnen moest. Hij sloeg heel nijdig met z'n staart. Wat kreeg ons Ruitje toen een vaart! Hij riep luid lachend achterom: 'Wat is een krokodil toch dom!'
Nu zeilde Ruitje zonder roer en 't sturen was een hele toer. En nauw'lijks vijf minuten later, lag daar een draaikolk in het water. En daar kwam Ruitje - wat je zegt! - precies net midden in terecht!
Die draaikolk had een goeie bui en daarom was hij lang niet lui. Hij draaide nu al dertien dagen! Dat kan zo'n draaikolk best verdragen.
En Ruitje draaide lustig mee en hij riep vrolijk: 'He! Hoezee! Zo zie je, dat de wereld rond is, wat voor kabouters heel gezond is!'
Maar eind'lijk zei de draaikolk: 'Stop! Nu houd ik er maar weer eens op!' En Ruitje is, na een tel of zeven, weer met de stroom vooruit gedreven.
Maar zie ... daar ging die stroom, o wee! recht naar de grote, grote zee! En hij nam onze Ruitje mee!
Die grote zee, die donderde heel grimmig en heel luid, omdat hij zich verwonderde om deze kleine guit. En Ruitje zag de woeste koppen, maar ach, ons Ruitje kon niet stoppen!
Hij zat al midden in de golven en werd woest heen en weer gegooid. Daar hadden ze hem haast bedolven! Nee Ruitje Lap, dat haal je nooit! Je zult hier vast verongelukken! Straks slaat je kleine boot in stukken!
En in het volgend ogenblik ... o, Ruitje werd spierwit van schrik! Want daar kwam, achter een golf vandaan, de nare, zware herfststorm aan!
Die maakte een heleboel geraas en riep: 'Op zij! Ik ben de baas! Maak, dat je weg komt, als ik blaas!'
De golven werden eens zo hoog en alles kraakte, alles boog! Toen kreeg de herfststorm Ruitje in 't oog!
En hij riep: 'He, wat moet dat daar? Wat voer jij uit? Ja, huil nou maar, want ik speel het met jou best klaar!'
Meteen gaf hij een ferme ruk en kinders ... wat er toen gebeurde ... Het mastje brak in een keer stuk! Het mooie, witte zeiltje scheurde! O wee! O wee! Het bootje zonk!
Of arme Ruitje heus verdronk?
De rakker riep: 'Wel sakkerloot! Daar gaat m'n mooie nieuwe boot!' Maar onze Ruitje was niet laf, hij wachtte dus niet verder af, maar sprong, één-twee en hoepla-kee! Ploemp! Overboord en in de zee!
Hu! Brrrr! Wat was het water koud! En 't smaakte vies, het smaakte zout! Maar Ruitje sloeg z'n armpjes uit: daar zwom hij heen, de kleine guit! En zwemmen kon hij heel goed! Ja, hij had z'n zwemdiploma A!
Maar in die grote, grote zee, daar viel het zwemmen toch niet mee! De golven sloegen een voor een hoog over onze Ruitje heen, tot hij tenslotte niet meer kon! ... Maar wat was dat? Daar dreef een ton!
Die was, in deze ruwe dagen, door stormen van een schip geslagen en hij kon Ruitje heel goed dragen.
Die klom er dan ook handig in, tot aan het puntje van z'n kin!
O wee, wat keek die herfststorm boos! Hij blies en blies een hele poos! Maar Ruitje, onze kleine guit, zat in z'n ton en lachte luid!
En alle golven bromden: 'Och, wat wil dat kleine ventje toch? Pas op! We zullen hem wel krijgen!' Je zag ze met hun koppen dreigen.
De grote ton ging op en neer en schudde-buikte heen en weer. Maar Ruitje lachte: 'Nog een keer!'
Hij zag wel, dat die grote ton niet zinken en niet omslaan kon.
Maar ergens aan de lucht hing laag een grote waterhoos. Die had een erge lege maag en hij keek vrees'lijk boos! Hij had twee schepen overrompeld en was toen in elkaar geschrompeld.
Z'n lange slurf hing op de grond, die dronk maar en die at. De waterhoos was goed gezond! Die lustte heus wel wat! Misschien wel honderd-duizend borden! Je kon hem dik en rond zien worden!
En toen hij eind'lijk niet meer kon, toen zag hij daar - o wee! - beneden zich die grote ton. Hij dacht: 'Die neem ik mee!'
Hij vond, dat dat een leuke grap was. Maar hij wist niet, wie Ruitje Lap was en dat die guit bijzonder knap was.
Maar Ruitje had de waterhoos al lang gezien - een hele poos. Hij dacht: 'Die komt naar deze kant! 't Lijkt wel wat op een olifant! Hij eet wel honderd-duizend borden! Je zou d'r haast benauwd van worden!'
Daar was de waterhoos dichtbij. Hij mopperde: 'Zeg, wie ben jij? Of dacht je soms, dat ik niet durf?' En toen sloeg hij z'n grote slurf rondom de ton! Hoe moest dat komen? Daar werd ons Ruitje meegenomen!
O kinders, kinders! Wat een klucht: daar zweefde Ruitje door de lucht! Maar denk nu niet, dat hij ging huilen, of maar een beetje zat te pruilen. Welnee! Hij juichte van plezier en riep: 'Nu ben ik vliegenier! Dag beste mensen! Opgelet!'
Maar alle mensen schudden met hun wijze, grijze hoofden, omdat ze niet geloofden, dat je, met zo'n gewone ton, echt rond de wereld vliegen kon.
En een professor sprak gewichtig: 'Ik blijf voorlopig heel voorzichtig, maar 'k denk, dat deze ton gewis een zogenaamde vlieg-ton is.'
En toen nam hij z'n dikke boeken, om daar een ton in op te zoeken.
En Ruitje zweefde lustig mee, heel blij en heel parmant! Ze waren niet meer boven zee: beneden hem was land.
Hij zag een kerk - wat leek die klein! - een dorp - een hele stad - een trein - 't was net een speelgoed-trein! - Wat leuk! Wat mooi was dat!
Maar plotseling ... wat zag hij daar? Het bos van Broer Konijn? Hij keek en keek ... was 't eerlijk waar? Zou 't geen vergissing zijn?
Nee hoor! 't Was het Kabouterbos! Daarginds, daar stond z'n huis! Toen riep hij: 'Hoos, laat me nu los, want ik ben bijna thuis!'
De hoos die lachte: 'Ha! Ha! Ha! Ik neem jou mee naar Canada!'
Maar jongens, onze kleine held, je weet het, die was knap! Hij haalde uit z'n zak een speld tevoorschijn en zei rap: 'Zeg waterhoos, spreek mij niet tegen! Neem nu meteen een flinke duik, of ik prik je met deze degen een mooi rond gaatje in je buik!'
De grote hoos verslikte zich in z'n lach en ... steeg nog hoger! Ruitje prikte ... toen liep de dikzak leeg!
Hij werd heel heel erg mager en zakte almaar lager. Tenslotte lag hij op het bos en liet hij onze Ruitje los.
En die kwam - kinders, het is echt! - juist voor z'n paddestoel terecht!
En ieder in Kabouterstad riep: 'Vrienden, kom toch vlug! Dan zie je wat! Dan hoor je wat! Want Ruitje is terug!'
En elk liep wat hij lopen kon! Ze waren vlug ter been! Toen Ruitje z'n verhaal begon, stond ieder om hem heen.
En toen hij alles had verteld van deze grote reis, stond heel Kabouterland versteld! Wat was hij slim en wijs!
Toen hebben ze de kleine held - en dat moet je maar goed onthouden! - een ridderorde opgespeld! Een mooie, grote, echte gouden!
Die mocht hij voortaan alle dagen heel deftig op zijn jasje dragen!