Er was eens een kaboutertje, dat heette Ruitje Lap. En ’t was zo’n heerlijk stouterdje, het hield zo van een grap!
Het woonde in een paddestoel in ’t bos van Broer Konijn. Daar woonden nog een heleboel kabouters. Dat was fijn!
Als je ze daar zag lopen, kijk dan was ’t een beetje raar: ze waren allemaal gelijk, wíe kent ze uit elkaar?
Dezelfde baard, dezelfde broek, dezelfde muts en jas. En toch … als je maar heel goed zoekt, zie je wie Ruitje was.
Dan ken je onze guit eruit, want op z’n broekje … wacht … zit een klein lapje-met-een-ruit. Is dat niet leuk bedacht?
’t Was winter in Kabouterstad en iedereen zei 'Hu! Die koude – brrr! – dat is me wat! En zeg … wat doen we nu?'
Ze zaten bij de open haard en zuchtten 'ach' en 'och'. Ze trokken zich eens aan hun baard. 'Die nare winter toch!'
Toen brak de boze sneeuwman los, die in de wolken zit. Hij maakte heel dat grote bos, ja, heel de wereld wit.
En geen kabouter deed een stap buiten zijn deurtje! Nee! Alleen de slimme Ruitje Lap die had een leuk idee: hij maakte zich een slee! Hoezee! Hoezee! Hoezee! Hij maakte zich een slee!
En toen het sleetje kant-en-klaar vlak voor z’n deurtje stond, keek deze kleine knutselaar heel trots de wereld rond!
Hij trok z’n dikke wollen kraag hoog op en stapte in. En dan … daar ging hij naar omlaag. Ha! Dat was naar z’n zin!
Links-rechts-links-rechts en op-en-neer en dan maar weer terug. Dwars door de stad en nog een keer, het ging verbazend vlug.
En weldra schoof men negen, tien gordijntjes aan de kant. Want zoiets had men nooit gezien in het Kabouterland. En iedereen sprak heel verwonderd: 'Da’s Ruitje Lap! Die gaat wel honderd!'
En Ruitje Lap die zwaaide 'Goedemorgen – goededag'. Hij cirkelde en draaide en ieder die hem zag riep: 'Ruitje, wees voorzichtig hoor', maar Ruitje Lap gleed rustig door. Hij was niet bang, hij was niet dom, hij keek nog een keer achterom en wuifde met z’n beide handen: 'Ik ga op reis naar verre landen!'
Daar kwam hij op de grote weg! Was dat niet erg gevaarlijk, zeg? Ging dat niet veel en veel te snel? En kende hij de borden wel? Had hij de regels wel geleerd? Hij deed het helemaal verkeerd!
En de chauffeurs die bromden en alle fietsers gromden, maar Ruitje lachte: 'Tjoeke-tjoek' en toen kwam Ruitje op een hoek …
En hoeken, het is wel bezwaarlijk, zijn in de regel zeer gevaarlijk.
Op deze hoek stond een agent, zoals je allemaal wel kent. Die stond daar al een hele poos en daarom was hij koud en boos.
En die agent o wee! o wee! zag Ruitje komen op z’n slee. En die agent dacht heel verwonderd: 'Dat komt nooit goed! Die gaat wel honderd!'
Daarom trok hij een streng gezicht, want dat behoorde tot zijn plicht, en stak z’n rechterarm hoog op en dat was het teken om te stoppen.
En onze Ruitje die zag hem, maar arme Ruitje had geen rem! Hij botste tegen een paar benen en toen was de agent verdwenen!
En alle auto’s toeterden en alle mensen foeterden en iedereen reed kris en kras, omdat er geen agent meer was!
Waar was, bedenkt dat zelf eens even, waar was toch die agent gebleven?
Heb je het al gevonden? Nee? Wel, die agent lag op de slee, die gleed gewoon met Ruitje mee!
En Ruitje zat natuurlijk paf, maar hij kreeg helemaal geen straf, want de agent, die wil eraf!
Hij rolde om-en-om terug door al die sneeuw – dat ging zo vlug dat hij maar aldoor dikker werd. Toen was de hele weg versperd!
Zo heeft hij daar een tijd gelegen, maar na drie weken kwam er regen. Toen smolt de sneeuw om hem vandaan en is hij – want dat was z’n baan - weer op diezelfde hoek gaan staan.
Intussen gleed het sleetje door en Ruitje Lap gleed mee. Nu waren ze vlak bij het spoor. Daar kwam de trein – o wee!
De machinist zag het nog net! Knars! Piep! De trein stond stil. Een dikke heer verloor zijn pet, een dame gaf een gil!
De conducteur sprong uit de trein. Was Ruitje dood misschien? Waar zou de guit gebleven zijn? Nee, er was niets te zien!
Toen hoorden z’uit de verte nog dat Ruitje riep: 'Dag hoor! Zeg conducteur, wat zoekt u toch? Ik kon er onderdoor!'
En alle mensen keken boos. De trein is weggegaan. Maar een meneer is nog een poos op ’t plekje blijven staan.
Daar zocht hij om z’n alfabet, maar in m’n dagblad lees ik net dat hij het in de buurt van Londen vanmorgen heeft teruggevonden.
Intussen had de radio per VARA en per KRO het nieuws van onze kleine held aan luisterend Nederland verteld.
Een ieder die een auto had, een ieder die een fiets bezat, zelfs iemand op een autoped had d’achtervolging ingezet.
En deze hele lange rij trok in een sneltreinvaart voorbij en iedereen riep 'Hui' en 'Hei'.
Men kon het op de Eiffeltoren vlak bij de stad Parijs wel horen en hield z’n handen voor de oren, omdat ze anders vast bevroren.
En ieder claxonneerde en iedereen probeerde om nummer een te zijn, want voor zijn – dat is fijn!
Maar ’t allermooiste deze dag was, dat geen mens ons Ruitje zag, want die was zeven uur geleden al door diezelfde straat gegleden.
Naar links, naar rechts, omlaag – omhoog gleed dappie Ruitje Lap. Het leek wel of hij soms haast vloog. O jongens, wat een grap! O meisjes, wat een grap!
En toen … kwam Ruitje bij een berg. Hij gleed er tegenop. En ’t sleetje stopte … o wat erg! Nu zat hij op de top! Hoog bovenop de top!
Maar onze Ruitje was niet bang en hij was ook niet dom. Hij dacht wel vijf minuten lang goed na en zei toen 'Kom,
ik trek mijn jasje uit en bind dat aan een lange lat. Dan waait het wijd uit in de wind en heel ver zien ze dat.
En met een uurtje, wel dan stopt er vlak boven mij een helikopter.'
En Ruitje Lap kreeg heus zijn zin. Het duurde niet heel lang, toen maakte men zo’n grote spin beneden aan de gang.
Wat een gepuf – wat een gebrom, toen was het zaakje klaar en ’t vrolijke pilootje klom er in … maar … wie was daar?
Wie was dat met z’n gladde pet en met z’n blauwe pak? O wee, o wee! ’t Was een agent. Hij keek heel boos en sprak:
'Piloot, wij zullen nu proberen om Ruitje Lap te arresteren! Hij heeft op straat te hard gegleden en een agent omver gereden.
Daarom ga ik nu met u mee en ‘k heb de boeien meegenomen. Die makker met z’n nare slee zal deze keer niet weer ontkomen!'
Daar steeg de helikopter op, maar Ruitje, bovenop de top, had alles wel gezien. En onze slimme rakker dacht: 'Da’s mis, agentje Sta-op-Wacht! Je krijgt me niet met tien!'
Hij holde gauw weer naar z’n slee en hoepla-hop en hoepla-kee daar schoot ie naar benee, zo schoot ie naar benee.
De helikopter steeg en steeg, maar wat was dat? De berg was leeg! Waar was die Ruitje nou? ’t Agentje beet zich op z’n snor en ’t motortje zei: 'Knor-re-knor!' Maar dat kwam van de kou, ja, dat kwam van de kou!
En toen opeens – toen stond het stil. ’t Agentje gaf een luide gil, ’t pilootje draaide aan een knop. Toen landde ’t helikoptertje daar heel hoog op die top. O kinders, wat een strop!
En Ruitje Lap keek achterom en lachte zich haast krom. Hij lachte zich haast krom, maar zie je: dat was dom!
Want op het pad daar zat een kat, een hele hele grote kat.
En achter aan die kat daar zat een staart, die lag daar doodbedaard net midden op het pad.
En toen – o wat een nare grap - toen gleed die kleine Ruitje Lap met een verschrikkelijke vaart nét over ’t puntje van die staart.
De kat die riep: 'O au! Miauw! Waar is mijn klauw? Wie lapt me dat?' Want weet je, ’t was een lapjes-kat!
En toen hij ’t sleetje daar zag gaan toen holde hij er achteraan. En alle katten riepen: 'Hee!' en stonden op en holden mee!
Er waren op het laatst wel honderd en Ruitje Lap keek erg verwonderd!
Zo kwamen ze een boerderij met een groot hondenhok voorbij. En voor dat grote hok daar stonden twee hele grote herdershonden.
De ene hond die heette Boef. Hij zag de katten, hij zei 'woef'. De and’re hond die heette Baf. Hij zag de katten, hij zei 'waf!'
Toen ze de optocht zagen gaan toen holden ze er achteraan, zo hard als ze maar hollen konden en ’t waren grote herdershonden.
En alle honden riepen: 'Hee!' en stonden op en holden mee. Er waren op het laatst wel honderd en Ruitje Lap keek erg verwonderd!
Ze renden maar en renden maar, ’t ging vliegensvlug maar zeg. Ze renden maar ze kenden daar niet eens de goede weg, ze wisten heg noch steg en dat was wel wat naar.
Maar Ruitje Lap las op een paal: dit is de weg naar Roosendaal. En een kwartiertje later, kijk: daar waren ze in Harderwijk. En nauw’lijks drie kwartier daarna trok heel de stoet door Appelscha.
En alle appels zeiden: 'Och, wat doen die nare beesten toch, want wij zijn immers met z’n allen ook maar gewoon omlaag gevallen?'
Maar kleine Ruitje riep: 'Sliep-uit' en lachen deed die kleine guit. 'Hoor je die beesten hijgen? Ze kunnen mij niet krijgen.'
En toen de dieren deze woorden van onze kleine rakker hoorden, ging het nog harder naar het noorden.
Totdat de allereerste kat, de lapjeskat Wie-lapt-me-dat, over een sneeuwbaal struikelde en in een greppel duikelde.
Toen vielen allen een voor een heel netjes over mekaar heen. En alle katten mauwden en krabbelden en klauwden. En alle honden snauwden en keken heel gemeen en beten om zich heen.
Maar niemand wist waarom hij beet of and’re nare dingen deed. En toen ’t gevecht was afgehandeld is iedereen naar huis gewandeld.
Maar ’s avonds stond het in de krant met eromheen een zwarte rand en deelde de NCRV het op de televisie mee: er waren honderddrie gewonden, waaronder zesenveertig honden.
En Ruitje Lap gleed onderwijl al duizend mijl voorbij Delfzijl. Want de Noordzee was dichtgevroren. Zo kwam hij in het land der Noren.
En alle Noren stonden met wagenwijde monden te kijken aan de zee. Ze riepen 'He' en 'Hee.' Dat kwam door de verwondering om deze kleine zonderling, die voortgleed op z’n slee.
En Ruitje dacht meteen door al die mensen aan de wal: 'Hoe kom ik daar doorheen? Dit is een naar geval.'
Hij maakte vlug een sneeuwbal klaar, nog een – nog een – en nog een paar en smeet die de verbaasde Noren zo hard hij kon om beide oren.
En alle Noren vluchtten en stotterden en kuchten. De sneeuw zat in hun keel, want ieder kreeg z’n deel. Maar een, een hele sterke reus, die kreeg zo’n sneeuwbal in z’n neus. Ja kinders, het is heus, die kreeg hem in z’n neus!
Nu heb je misschien op de school of van je vader thuis wel eens gehoord van de Noordpool. Dat is een eind van huis.
En bij die pool ligt diep en breed een hele grote zee, die Noordelijke IJszee heet. Wist je dat nog niet, nee?
Daar drijven grote bergen in, ijsbergen heten dat. En weet je wie daar midden in die zee verborgen zat?
Een walvis! Ja, ’t is wel wat mal, zo’n walvis komt nooit aan de wal en het is ook niet eens een vis, maar iedereen zegt zonder mis dat het toch heus een walvis is.
En die droeg op z’n rug een spuit, daar blies hij een straal water uit.
En onze Ruitje Lap, die guit, o wee, o wee, hoe moest dat gaan … gleed recht op deze walvis aan, die had z’n bek al open staan …
En Ruitje zag de grote plas. Hij zag wel dat daar water was en hij zag die gemene kop en … Maar arme Ruitje kon niet stoppen! Hij zag die bek wijd open staan. O Ruitje Lap, wat nu gedaan? Moet je nu zo naar binnen gaan?
En Ruitje trok en Ruitje rukte zo hard hij kon. Hoera! Het lukte! Het sleetje schoot ineens omhoog. Hiep hiep hoera! De rakker vloog!
Wat keek die walvis toen gemeen. Waar ging dat vreemde ding hou heen? Hij mikte met z’n grote spuit en blies er een straal water uit!
En of hij Ruitje werk’lijk raakte? Nou reken maar! Het sleetje kraakte! …
Het zei van ‘krik’, het zei van ‘krak’! O! Als het eens doormidden brak? Toen duikelde het om-en-om. Wat keek die arme Ruitje dom. Hij raakte helemaal van streek, eerst werd hij rood, toen werd hij bleek. ’Help! Help!’ riep hij met schorre stem, maar slechts de walvis hoorde hem!
En deze walvis wachtte geduldig op z’n hapje en daarom was het, snap je, dat hij zo luidkeels lachtte en met z’n staart in ’t water sloeg. Maar walvis, dat wat vroeg genoeg!
Want kleine Ruitje Lap kwam echt niet in die grote muil terecht. Ja, hij viel zelfs niet eens in zee, want zie, een rukwind nam hem mee en smeet hem met een harde bom! aan land: toen stond ie andersom!
En toen is Ruitje Lap tevreden weer regelrecht naar huis gegleden.
Maar toen hij het Kabouterland kon zien gaf hij een gil. Zo was de guit geschrokken, want hij dacht: ‘hoe houd ik stil?
Ik heb geen rem, o wee, o wee! Maar kijk, wat zie ik daar? Is dat geen regenbui? Hoezee! Nu is het voor elkaar!’
En ja hoor, ’t was een hele dikke, die nijdig deed van rikke-tikke.
Toen was het met de sneeuw gedaan, het werd een natte boel. En ’t sleetje bleef uiteind’lijk staan precies – was dat niet knap gedaan? voor Ruitjes paddestoel.
En ieder die ons Ruitje zag riep ‘Welkom, welkom! Goededag!’ En er werd over hem gesproken en vlaggen werden uitgestoken. Men vierde zeven dagen feest; die zijn net om als je dit leest.
Maar Ruitje heeft niet meegedaan, want die was stil naar bed gegaan …..