Ruitje Lap gaat schaatsen



Het vierde spannende avontuur van kabouter Ruitje Lap!

door Martinus Bakker
© annabee

home


---------------------------------------------

In 't grote bos van Broer Konijn
lag de Kabouterstad.
Och och, wat lag die stad daar fijn
aan 't smalle kronkelpad.

Kabouters liepen af en aan
langs boom en paddestoel.
Je zag ze ov'ral gaan en staan:
wat waren er een boel!

En een zo'n klein kaboutertje
werd Ruitje Lap genoemd.
Die Ruitje was een stouterdje,
maar hij was ook beroemd!

Want hij vond altijd dingen uit,
die niemand anders had.
Hij was de slimste, knapste guit
van heel Kabouterstad!

En op z'n broekje, keurig net,
had hij - was dat geen grap? -
een lapje-met-een-ruit gezet.
Zo'n slimme Ruitje Lap!

't Was winter in Kabouterstad.
Wat had het hard gevroren!
Het ijs, dat in de sloten zat,
kon je luid kraken horen!
En de kabouters zeiden: 'O
zeg winter, moet dat werk'lijk zo?'

Ze zaten bij het warme vuur
en kropen in hun kragen.
't Was wel vervelend op den duur!
Dit ging al zeven dagen!
De strenge winter lachte: 'O
kabouters, dit bevalt me zo!'

Maar Ruitje Lap, de slimme guit,
dacht: 'Nee, ik wil geen koutje lijden!'
Wat vond de rakker nu weer uit?
Ja, goed zo! Hij ging schaatsenrijden!

Hij deed een dikke, wollen sjaal
met zeven knopen om z'n oren
en toen ging hij naar het kanaal,
dat helemaal was dichtgevroren.

Hij bond z'n beide schaatsjes onder,
hij deed z'n handjes op z'n rug ...
O jongens, jongens, 't was een wonder!
Wat reed die kleine rakker vlug!

De wijze uil riep: 'Oe-hoe-hoe!
Zeg Ruitje, waar ga jij naar toe?'

En Ruitje lachte achterom:
'Wat komt het er op aan?
Ik zie vanzelf wel, waar ik kom!
Misschien wel op de maan!'

De wijze uil zei: 'Oe-hoe-hoe!
Dat schaatsen is een vreemd gedoe!'
Toen kroop hij heel diep in z'n veren,
om zo de koude te trotseren.

En zo ging Ruitje Lap op reis.
Wat keek de rakker olijk!
Z'n schaatsjes krasten in het ijs:
kris-kras! Wat klonk dat vrolijk!

Het zonnetje stond aan de lucht
en lachte tegen 't guitje.
Het windje blies hem in de rug
en onze kleine Ruitje
zong: 'Schaatsen is de fijnste sport,
omdat je d'r gezond van wordt!'

Maar o! recht voor hem was een wak!
Daar was het ijs bijzonder zwak!

En Ruitje, dat was dom gedaan!
die reed er zomaar recht op aan!
O wee, o wee! Hoe moest dat gaan?





Het ijs zei: 'krik!'
het ijs zei: 'krak!'
Het ijs dat boog,
het ijs dat brak!
En ... daar lag Ruitje in het wak!

'Help! help!' riep onze rakker luid.
'Help! help mij toch! Trek mij er uit!'
Maar er was niemand die 't vernam
en onze Ruitje helpen kwam.

Daar lag hij nu in 't koude water,
maar 't kleine ventje was niet dom en
een heel kort ogenblikje later,
was hij er zelf weer uitgeklommen!

En ... hij was helemaal niet nat!
Alleen maar heel heel erg geschrokken.
Want onze slimme Ruitje had
z'n olie-pakje aangetrokken!

En oliepakken - da's hun plicht -
zijn, als ze goed zijn, waterdicht.

Daar ging de kleine kerel weer!
Hij reed wel honderd-tien!
Zo kwam hij op een heel groot meer;
je kon de wal niet zien.

En door dat grote meer ... Daar lag
een open vaargeul door.
O wee! Als Ruitje dat niet zag?
Dat was gevaarlijk hoor!

Die vaargeul, heb je 't al begrepen?
die lag daar voor de grote schepen.
Hij was heel diep, hij was heel breed.
O Ruitje, Ruitje! voor je 't weet ...

Maar Ruitje, onze kleine guit,
reed daar niet in! Welneen!
Hij nam een kort en goed besluit:
hij sprong er overheen!

O Ruitje, Ruitje! pas maar op!
Want kijk, wat is dat daar?
Een vogel met een grote kop!
Wat kijkt die vrees'lijk naar!

Die vogel was een lepelaar;
die hield z'n lange lepel klaar,
om er een vis mee op te happen.
Maar hij kon er niet eentje snappen,
want elke vis zat heel erg diep
in 't grote water - en hij sliep.

Daar zag de grote lepelaar
ons Ruitje. Och, wat keek hij naar!
Dat kwam, omdat hij honger had
en eensklaps dacht hij: 'Weet je wat?
Ik krijg geen visje in m'n maag,
ik pak dat ventje in z'n kraag!'

Dat werd gedacht, dat werd gedaan:
hij holde recht op Ruitje aan!
O wee! wat moest de guit beginnen?
Zou hij de wedloop kunnen winnen?

Was Ruitje bang?
Hij reed en reed!
Het meer was lang,
ht meer was breed.

En achter hem
klonk altijd maar:
'Kris-kras!' Dat was
de lepelaar!

En Ruitje dacht: 'Wat kan die vlug!
Hij grijpt me bijna in m'n rug!
Hij grijpt me bijna in m'n kraag
en dan verdwijn ik in z'n maag!'
Nou, dat wou Ruitje Lap niet graag!

O Ruitje, o wat was dat dom!
Waarom keek je niet even om?
Die vogel was al lang gestruikeld
en driemaal op z'n staart geduikeld!

Maar Ruitje reed naar de andere kant
en stoof daar met een vaart aan land.
Toen merkte onze Ruitje pas,
dat dat gekris en dat gekras
gewoon z'n eigen echo was!

O, o! Wat schaamde hij zich toen!
Moest hij zo kinderachtig doen?





Hij stapte gauw weer op het ijs
en zo vervolgde hij z'n reis.

Nu kwam hij langs een grote stad
en Ruitje dacht: 'He, wat is dat?'
Wel duizend mensen stonden daar
in dikke rijen naast elkaar!
Was er een ongeluk gebeurd?
Maar nee hoor! Er werd niet getreurd,
want onze kleine Ruitje zag
een grote rood-wit-blauwe vlag,
in 't topje van een hoge mast.
Hij dacht: 'Dan is het feest! Da's vast!'

Hij reed er heen, zo hard hij kon.
Hij wou er zijn, als het begon!
En ja hoor: daar zag Ruitje 't al.
Hij riep: 'Hoera!' Wat was 't geval?
Wel, al die grote mensen zouden
een echte hard-schaats-wedstrijd houden.
En Ruitje riep: 'Hoezee! hoezee!
Schrijf mij maar op! Ik doe ook mee!'

En al die grote mensen lachten
om 't kleine ventje, want ze dachten:
'Dat wordt straks mooi! Dat wordt een grap!
Voor hem hoef je niet bang te wezen!'
Ze hadden nooit van Ruitje Lap
gehoord, of in de krant gelezen.

Daar gingen al twee man van start.
O joei! o joei! Wat ging dat hard!
Ze schoten op het ijs vooruit,
met lange, rechte, forse streken!
En onze dapp're kleine Ruit
had er wat angstig naar gekeken.
Hij dacht: 'Die kunnen er wat van!
Als ik dat straks maar halen kan!'

Weer twee, weer twee ... wat ging dat rap.
Toen riep de starter: 'Ruitje Lap!'
Ja, Ruitje stond al aan de lijn!
Hij dacht: 'Ik zal het goed proberen!
Ik wil, ik moet de snelste zijn!
Ik zal die grote kerel leren!'

Daar riep de starter: 'Een-twee-drie!'
Ze gingen er vandoor en zie:
ons kleine ventje schoot naar voren!
De grote kerel had verloren!
Je had de mensen moeten horen.

Had Ruitje nu een prijs gewonnen?
Nee hoor! 't Was immers pas begonnen?

Hij moest nog weer en nog eens weer!
Wel vijf, wel zes, wel zeven keer!
En - niemand snapte hoe het kon -
maar onze kleine rakker won!
Hij schoot er telkens weer vandoor
en lag aan 't einde meters voor!

De mensen riepen: 'Ha! da's knap!
Da's knap van kleine Ruitje Lap!
Wie heeft er ooit zoiets gezien?
Hij wint de eerste prijs misschien!'

Maar and'ren zeiden: 'Nee hoor! Nee!
Hij wordt niet nummer 1, maar 2.
Er is nog een heel sterke man
en daar wint hij het vast niet van.
Zo hard als die man rijden kan!
Die is al weg, voor hij begint!
't Is vast, dat die de beker wint!'

Want d'eerste prijs, dat was ... ja zeker:
dat was een mooie, zilv'ren beker!

En onze Ruitje Lap, die guit,
die hoorde wat de mensen zeiden.
Hij trok z'n oliepakje uit,
dan kon hij nog wat harder rijden!

Daar stonden ze al aan de start.
En nu ... precies gelijk beginnen!
O kinders, kinders! dat ging hard!
Wie van hen beiden zou het winnen?

Wat spanden ze zich dapper in!
Daar schoot de sterke reus naar voren!
Maar Ruitje Lap was ook niet min!
Hij dacht: 'Ik geef me niet verloren!'

Een jongen schreeuwde: 'Ruit ligt voor!'
'Nee!' riep een juffrouw, ''t is die ander!'
Nou, je kon geen verschil zien, hoor!
Ze reden zuiver naast elkander!

Maar daar opeens nam Ruitje Lap
een sprong!... Je zult het niet geloven,
maar 't gaf zo'n daverende klap,
drie dames vielen onderstboven!
En al die mensen aan het juichen!
Het ijs begon ervan te buigen!

Was Ruitje nummer 1? Ja zeker!
Hij kreeg de mooie, zilv'ren beker!





Toen kwamen er wel duizend mensen
rondom hem staan, om Ruitje Lap
te spreken en geluk te wensen.
Ze zeiden: ''t Was bijzonder knap!'

O mensen, mensen! Wees voorzichtig!
Het ijs zei: 'Krik!' het ijs zei: 'Krak!'
Die mensen waren zo gewichtig!
Het ijs dat boog, het ijs dat ... brak!

En allen riepen: 'Help! O wee!'
Ze zakten zachtjes naar benee
en zelfs de ijstent zakte mee!

Nu was het daar - gelukkig maar! -
niet diep, dus niet gevaarlijk.
Maar allen kroelden door elkaar
en schreeuwden onbedaarlijk!

Och kinders, och wat leek dat raar:
je zag alleen de hoofden maar!
Die kroelden daar maar door mekaar!

En onze kleine, slimme Ruit,
stond aan de kant en lachte luid.
Hij lachte al die hoofden uit!

En toen de hoofden Ruitje hoorden,
toen riepen ze heel boze woorden.
Maar Ruitje riep: 'Kunt u 't verstaan?
U had van 't ijs af moeten gaan!
Dat heb ik immers ook gedaan?
Dag, wijze hoofden en dag, nekken!
Kom er maar uit! Ik ga vertrekken!'

Een eindje verder was het ijs
nog sterk. Daar ging hij weer op reis.
Wat kon de rakker meer verlangen?
Hij had z'n mooie eerste prijs,
een heel klein beetje eigenwijs,
aan een touwtje op z'n rug gehangen!

Zo reed hij uren achtereen
en hij wist zelf niet eens waarheen.
Het kon hem trouwens ook niet schelen:
dat schaatsen ging hem nooit vervelen!

Maar plotseling ... daar zag hij wat!
En Ruitje dacht: 'He! Wie is dat?'

Wie liep daar op z'n blote sokken,
sjok-sjok! op 't koude ijs te sjokken?

Het was de ijsbeer Eskimo!
Die had z'n schoenen pas verloren!
Ze waren, bij Madrid of zo,
in een groot ijsveld vastgevroren.
Nu liep hij op z'n blote sokken,
sjok-sjok! op 't koude ijs te sjokken!

En brommen, dat die ijsbeer kon!
En grommen, dat die ijsbeer kon!
Brom-grrom! Brrrom-grrrrom! Dat was me wat!
Want zie je, hij had kou gevat!
Nu voelde hij zich naar en ziek;
hij kraakte van de reumatiek!

En toen de ijsbeer Eskimo
ons Ruitje zag, toen riep hij: 'Ho!'
En Ruitje dacht: 'Daar is een brug!
Daar onderdoor ontsnap ik vlug!'

Maar d'ijsbeer was hem even voor
en ja, hij was er eerder hoor!
Daar zat hij, met z'n brede rug,
tussen de palen van de brug
en Ruitje kon er niet meer door!

Hij riep: 'Vooruit beest, ga opzij!'
Maar d'ijsbeer bromde: 'Wat wil jij?
Klein peutertje, klein kleutertje!
Als ik bij deze brug wil staan,
dan gaat dat jou geen ziertje aan
en krijg je mij hier niet vandaan!'

O, o, wat werd die Ruitje woest!
Maar wat of hij beginnen moest?
Hij kon dat grote beest niet aan
en bleef wat op een afstand staan.

De grote ijsbeer brulde: 'Ha!
Je bent een dief! Ik zie het, ja!
Hoe kom jij aan die zilv'ren beker?
Hier in de buurt gestolen zeker?'

O, o, wat werd die Ruitje boos!
Hij riep ... Nee! Hij riep niets!
Hij zweeg! Hij zweeg een hele poos!
Bedacht de rakker iets?

Ja hoor! Hij dacht erover na,
hoe hij die beer een poets zou bakken.
En plots'ling zei hij zachtjes: 'Ja!
zo krijg ik hem misschien te pakken!'

Hij riep: 'Zeg beer, zeg beertje-lief,
je hebt gelijk! Ik ben een dief!
Ik heb die mooie zilv'ren beker
gestolen bij de apotheker.
Hij zit vol witte wonderwijn
en wie dat drinkt krijgt nooit weer pijn;
hij wordt ook nooit weer, nóóit weer ziek
en krijgt nooit last van reumatiek!'

Toen riep de dikke, domme beer:
'Zeg Ruitje Lap, staan er nog meer?'

'Nog meer?' riep Ruitje, 'man, wel tien!
Je kunt ze van de weg af zien.
't Is om de hoek, het eerste huis
en d'apotheker is niet thuis.
Je kunt er zo naar binnen lopen:
het winkeldeurtje staat wijd open!'

De ijsbeer bromde: 'Kolossaal!
Let op: ik haal ze allemaal!
Dan word ik nooit weer, nooit weer ziek
en krijg ik nooit weer reumatiek!'

Toen ging hij bij de brug vandaan
en zo kon Ruitje verder gaan.

De rakker lachte achterom:
'O, o, wat is die ijsbeer dom!'





Nu reed de rakker ongestoord
weer vele kilometers voort.
Wat was dat schaatsen heerlijk, zeg!
Maar o! wat nu? De zon ging weg
en voordat onze guit het wist,
zat hij al in een dichte mist!

O wee, o wee! dat was een strop,
want welke kant moest hij nu op?
Hij kon geen zeven meter zien!
Geen zes, geen vijf, geen vier misschien!
En alle vissen riepen: 'Mooi!
Zeg weet je 't al? We krijgen dooi!'

O arme, arme Ruitje Lap!
Dit is voor jou een nare grap!
Als 't ijs straks smelt, wat dan? wat dan?
Hier komen ongelukken van!

En Ruitje dacht: ''k Moet vliegensvlug,
zo hard ik kan, naar huis terug!'

Daar was hij al weer bij de stad,
waar hij z'n prijs gewonnen had.
Daar was hij al weer op het meer,
maar toen wist hij de weg niet meer!...
Hij zocht en zocht, maar nee, hij vond
hem niet! Hij reed in cirkels rond!

Tik-tik-tik-tik, daar kwam de regen
en o! daar kon het ijs niet tegen!
Wat werd die kleine Ruitje bang en
er liepen tranen langs z'n wangen.
Hij riep: 'O wee, o wee! Ik zink!
O, help me toch! want ik verdrink!'

Maar daar opeens ... Wat hoorde hij?
Was dat de wijze uil?
Ja hoor, hij was het! Heel dichtbij!
De wijze uil zei: 'Huil
maar niet meer, kleine Ruitje Lap!
Dit is het einde van de grap.
Rijd mij maar rustig achterna.'

'Hoera!' riep Ruitje Lap. 'Hoera!'

De wijze uil, die alles wist,
is toen voorop gegaan.
Hij trok zich van die dichte mist
geen sikkepitje aan.

't Ging recht naar de kabouters toe,
die al te wachten stonden,
want kijk, zij hadden Oe-hoe-hoe
voor deze speurtocht uitgezonden.

En ieder riep: 'Da's knap gedaan!
Daar komt de uil met Ruitje aan!
Hoera, hoera uil! Dat is knap!
En ook hoera! voor Ruitje Lap!'

En kreeg de uil ook een beloning?
Dat had hij toch verdiend? Ja zeker!
Hij kreeg de mooie, zilv'ren beker!
Die hangt nu deftig aan z'n woning!

Elk die er langs komt, kan hem zien.
't Adres is: Uilenstraatje 10.






home

Ruitje Lap


---------------------------------------------