RUITJE LAP GAAT AUTORIJDEN
© annabee
Aan ’t krinkelende kronkelpad
in ’t bos van Broer Konijn
lag vroeger blij Kabouterstad,
wat lag die stad daar fijn!

Daar woonden de kaboutertjes.
Ze waren wijs en knap,
maar ’t waren kleine stouterdjes,
ze hielden van een grap!

En een zo’n klein kaboutertje
werd Ruitje Lap genoemd.
Dat was het ergste stouterdje
en hij was heel beroemd!

Hij was heel slim, hij was heel knap!
Hij vond van alles uit!
En op z’n broekje zat een lap,
een lapje-met-een-ruit.
Was dat geen slimme grap
van onze kleine guit?

’t Was zomer in Kabouterstad,
de zon scheen door de bomen
en de kabouters lagen wat
te dutten en te dromen.
Wat kun je nou met goed fatsoen
op zulke warme dagen doen?

Ze knoopten al hun jasjes los
en plozen aan hun baarden.
Ze hijgden op het groene mos
als moegewerkte paarden.
En zweten! Kinders het is heus:
er hing een druppel aan hun neus.

Maar een, een kleine wijze rakker,
begon te fluist’ren met zijn makker.
Toen zeiden er opeens twee stemmen:
’Vooruit, sta op! Dan gaan we zwemmen!’
En iedereen zei blij: ‘Hoera!
Da’s slim bedacht, dat doen we, ja!’

En nauw’lijks vijf minuten later,
daar dook de eerste al in ’t water.
Er volgden nog een heleboel.
Wat was dat fijn! Zo’n fris gevoel!

Ze zwommen maar en sprongen maar.
’Hoera! Hoera! Hoera!’
Ze doken en ze zongen maar:
’Doe na! Doe na! Doe na!’

En op de wal zat Broer Konijn
naar de kaboutertjes te kijken.
Hij dacht: ‘Wat vinden ze dat fijn!
Zo’n badje zou mij ook wel lijken.’

Maar zwemmen is, je weet het wel,
nu eenmaal geen konijnenspel.
Die springen liever ver en hoog,
dan blijven ze tenminste droog!

Broer dacht: ‘Och, och, wat is ’t een grap.
Maar weet je waar ik niets van snap?
Ik zie geen kleine Ruitje Lap!’
En toen ging Broer Konijn op stap.

Hij holde naar de paddestoel
van onze kleine Ruit.
Hij dacht: ‘Dit is een vreemde boel,
die rakker voert wat uit!’

En dichtbij daar zag Broer het al.
’t Was wat bijzonders, hoor!
Daar stond een kar! Was dat niet mal?
En Ruitje stond er voor!

Toen holde Broer Konijn terug
naar het kabouter-bad.
Hij riep: ‘Kom gauw! Kom rap! Kom vlug!
Want Ruitje heeft weer wat!’

En de kabouters die ’t verstonden,
die holden wat ze hollen konden.
Wat had hij nu weer uitgevonden?

En Ruitje Lap riep: ‘Ha, da’s fijn,
’k ben blij dat jullie er al zijn.
Wacht even een minuut of elf,
dan rijdt mijn nieuwe kar vanzelf.
Want ik vertel je zonder mis,
dat dit een echte auto is!’

Hij knutselde met een paar houtjes,
met moertjes, schroefjes, knopjes, boutjes
en riep: ‘Ziezo, nu is hij klaar.
Ik rijd ermee naar Zevenaar.’

Daar stapte onze Ruitje in.
Hij riep: ‘Opzij, want ik begin.’
En heus: het ding dat tufte,
het pruttelde en pufte.
Toen gaf ’t opeens een luide knal
en ja: daar liep de motor al.

’t Is waar: je zult het niet geloven,
maar toen is Ruitje weggestoven!

Eerst reed hij door het grote bos,
het bos van Broer Konijn.
Wat ging dat mooi op ’t groene mos,
wat liep die auto fijn!

Maar toen kwam Ruitje op de weg
die van de mensen was!
Was hij nu wel voorzichtig, zeg?
Welnee, hij gaf vól gas.

En langs die weg stond een meneer,
die zei: ‘Wat is me dat nou weer?’

En langs die weg stond een mevrouw,
die schrok zo! Ze viel bijna flauw.

En daar stond ook een slagersjongen,
die is gauw op z’n fiets gesprongen.
Hij dacht: ‘Daar moet ik achteraan,
want dat zal straks wel lelijk gaan!’

En Ruitje Lap – de kleine guit -
die lachte alle mensen uit.
Hij reed maar, reed maar van jewelste.
Hij dacht: ‘’k Ben lekker toch de snelste!’

Maar langs de weg stond een agent
en die bedacht zich geen moment.
Hij nam gauw zijn politiewagen
om Ruitje achterna te jagen.

O Ruitje Lap, wat gaat dat snel,
die achterhaalt jou misschien wel.
Wat moet je doen? Hoe moet je sturen?
’t Zal heus niet zo heel lang meer duren …

En Ruitje keek eens achterom.
O wee, o wee, wat was dat dom.

Die brug, dat was een ophaalbrug,
die stond nu bijna steil rechtop en
ons Ruitje kon niet meer terug
en hij kon ook zo vlug niet stoppen.

O wee, o wee, hoe zou dat gaan?
Zou Ruitje Lap te pletter slaan?

Maar nee hoor! Ruitje was niet bang.
En heus: ’t is haast niet te geloven,
maar met een vreselijke gang
schoot hij langs deze brug naar boven!

O Ruitje, Ruitje! Pas toch op,
want als je strakjes aan de top
van deze brug bent toe gereden,
val je natuurlijk naar beneden!

Hij was naar ’t topje toe gereden
en over zeven hoge bomen
weer mooi op straat terechtgekomen!

Nu reed hij midden in de stad.
O wat een drukte was me dat!
Wat waren al die auto’s groot
en het verkeerslicht stond op rood.
En Ruitje dacht: ‘Waar is dat voor?’
Hij stopte niet, hij reed maar door!

Daar kwam een zwarte auto aan.
O wee, wat nu? Hoe moet dat gaan?
Het kon geen ogenblik meer duren,
maar Ruitje draaide aan het stuur en …

daar reed de kleine slimme rakker
de winkel binnen van de bakker.
De auto schoot met groot gemak
door zeven dozen met gebak
en daarna met een sneltreinvaart
dwars door een grote pruimentaart.

De bakker dreigde en foeterde
en Ruitje hijgde en toeterde.
Toen reed hij door drie boterkluiten
langs ’t achterdeurtje weer naar buiten!

Waar kwam ons Ruitje nu terecht?
O kinders, o wat trof dat slecht!
’O wee’, dacht Ruitje, ‘dit is mis.
Dit lijkt wel een gevangenis.’

Was ’t een gevangenis? Welnee!
Het was een tuin, maar eromheen
was overal een hoge muur
en Ruitje draaide aan het stuur.
Hij dacht: ‘O jongens, dat is gek,
ik zie hier helemaal geen hek
en nergens is een open plek.’

Toen reed hij rond en rond en rond
en in ’t achterdeurtje stond
de dikke, grote, boze bakker,
die zei: ‘Nu hebben we de rakker’.
En naast de bakker stond z’n vrouw,
die zei: ‘Nu pakken we hem gauw’.
En naast de vrouw daar stond de knecht,
die zei: ‘die streek bekomt je slecht.’
En naast de knecht stond nog een meid,
die zei: ‘Vooruit, nu wordt het tijd.’
Want zie je: ze had hard geschreid;
ze was haar boterkluiten kwijt.

Ze holden achter Ruitje aan
en Ruitje dacht: ‘Wat nu gedaan?’
Ze holden wat ze hollen konden,
er kwam een stoomwolk uit hun monden!

En Ruitje dacht: ‘Dat wordt een strop!
Straks heb ik de benzine op,
dan zegt m’n mooie auto stop!
En krijg ik lelijk op m’n kop!

Ik moet hier dadelijk vandaan.
’k Zal weer door ’t achterdeurtje gaan.’
Hij reed er regelrecht op aan,
maar in het volgend ogenblik …
O kinders, kinders, wat een schrik:
de bakker had het dicht gedaan.

O wee! Nu kon die kleine guit
er nooit meer, nooit meer, nooit meer uit!
Maar zie: hij nam een flink besluit!

Hij gaf nog meer, nog veel meer gas!
De kleine auto gilde.
De bakkersvrouw viel in een plas,
omdat ze zo geschrokken was.
De dikke bakker rilde,
de hele grond die trilde.
Wat onze rakker wilde?

Opeens daar klonk het krik en krak:
het hele achterdeurtje brak
Val niet ondersteboven:
de guit was er doorheen gestoven!

En met een heleboel gerinkel
kwam hij nu nog eens in de winkel.
Hij reed dwars door de chocola
en door een schaal vanille-vla
en hopla door een roomsoes-trommel.
Och, och wat maakte hij een rommel.

De bakker riep hem achterna:
’’k Zal daad’lijk de politie halen!
Ik heb wel honderd gulden scha
en die zul jij terug betalen.’

Maar Ruitje kon dat niet verstaan,
die was de straat weer opgegaan.

Het ging nu prachtig en hij sprak:
’Nu doe ik kalmpjes aan.’
Hij nam een grote zak tabak
en stak een pijpje aan.

Rookwolken kwamen dik en snel
vanuit z’n mond vandaan.
De mensen zeiden: ‘Dat lijkt wel
een rijdende vulkaan!’

En Ruitje lachte luid en blij
om deze goeie grap.
Hij zong een liedje van ‘Joech-hei,
wie gaat er mee op stap?’

Maar Ruitje, kleine slimme rakker,
pas jij maar op, jij kleine held.
Pas jij maar op, want o … die bakker
heeft de politie opgebeld.

En ja, daar kon je ze al horen:
wel tien agenten – op motoren!!

Maar Ruitje had ze al gezien.
Hij dacht: ‘Is dat voor mij misschien?
’k Moet zien dat ik ze kan ontlopen.’
Toen draaide hij de gaskraan open!

En met een vreselijke gang
ging het langs pleinen en langs straten,
maar de agenten – ook niet bang -
die hadden hem al in de gaten.

Je kon ’t gebrul van de motoren
wel twintig kilometer horen.
En dat was niet naar Ruitjes zin.
Hij zag het wel: ze haalden in.

Toe Ruitje, laat de moed niet zakken,
ze hebben je nog niet te pakken!

En Ruitje stuurde, Ruitje reed.
De banden werden gloeiend heet
en kijk, daar kunnen asfaltwegen
op warme dagen net niet tegen!
Opeens, wat was er aan de hand?
Daar vloog de hele weg in brand!

Wat waren die agenten boos!
Nu moesten ze de brand eerst blussen.
Dat duurde wel een hele poos
en Ruitje Lap reed ondertussen
zo hard z’n auto wilde, door.
Hij lag nu kilometers voor!

Zo kwam hij in een and’re stad,
een grote stad, een havenstad.
Daar lagen lange rijen schepen
en hele hoge kranen grepen
zware kisten van de kaden
om deze schepen vol te laden.

O Ruitje, Ruitje, pas maar op.
Daar staat “Verboden Toegang” – Stop!
Maar Ruitje had het niet gelezen.
Zou hij nu wel voorzichtig wezen?
Want aan de kranen hingen haken
om zware dingen vast te maken.

Maar Ruitje keek niet op of om.
O kinders, o wat was dat dom.
Daar sloeg zo’n haak – o arme stumper -
precies om Ruitjes voorste bumper.
O kinders, wat een nare klucht;
nu zweefde Ruitje in de lucht.

O wee, o wee, wat leek dát slecht.
Daar kwam hij op een schip terecht …

En een matroos zei: ‘Kapitein,
als ik het zo vlug snap,
dan moet dit die kabouter zijn.
Men noemt hem Ruitje Lap.

Hij heeft een auto uitgevonden.
Nu maakt hij alle mensen bang.
De nieuwsdienst heeft het uitgezonden:
ze zoeken hem al urenlang!’

’Zo, zo’ sprak toen dat kapiteintje,
’geef dan de bootsman maar een seintje.
Die stopt hem zolang in de cel en
wij zullen de politie bellen!’

O Ruitje Lap, wat nu gedaan?
Hoe loopt dit af, hoe moet dit gaan?
Daarginders komt de bootsman aan!

Maar Ruitje Lap had alles wel
gezien en wel gehoord.
Hij riep: ‘Dit is geen eerlijk spel,
vooruit, zet me van boord!
Ik zeg dat er geen woord van waar is;
ik ben politie-commissaris!

’k Zit achter een kabouter aan
die heeft een auto uitgevonden
en is ermee vandoor gegaan.
De nieuwsdienst heeft het uitgezonden.
De rakker maakt de mensen bang,
we zoeken hem al urenlang!’

’Zo, zo!’ sprak toen dat kapiteintje.
Hij gaf de machinist een seintje.
’Vooruit, en maak een beetje voort,
de commissaris moet van boord!’

Daar zweefde Ruitje fier en vlug
weer naar de vaste wal terug,
waar men hem keurig zakken liet.
Wat wás ’t een slimmerd, hè? Of niet?

Nu lag een eindje daar vandaan
een zebra op de weg
en Ruitje bleef er prompt voor staan.
Hij vroeg: ‘Wat scheelt jou, zeg?’

De zebra wuifde met zijn oor.
Hij zei: ‘Wie mij gebruikt gaat voor!’

En onze Ruitje lachte luid:
’Man, trek toch die piama uit.
Je hebt de mode niet begrepen.
Wie loopt er overdag met strepen?'

De zebra wuifde met zijn oor.
Hij zei: ‘Wie mij gebruikt gaat voor!’
Nou, toen reed Ruitje vrolijk door!

En alle mensen riepen ‘Hela,
kun jij niet stoppen voor een zebra?’
Maar Ruitje lachte achterom:
‘Nee hoor! Dat beest is mij te dom!
Ik ben politie-commissaris.
Vraag de kap’tein maar of ’t niet waar is.'

En zo reed onze slimme guit
de grote havenstad weer uit.

Nu kwam hij in een heel groot bos.
Waar zou hij ergens zijn?
Hij keek … was dit, was dit het bos,
het bos van Broer Konijn?

Ja hoor! ’t Was waar, hij was weer thuis.
Daar woonde hij – daar stond z’n huis!

En Ruitje lachte heel tevreden:
‘Ik ben de wereld rondgereden.’
En ieder die hem zag riep: ‘Ha!’
en liep hem juichend achterna.

Er stonden er een heleboel
rondom z’n mooie paddestoel.
Toen drukte Ruitje op een knop
en stond de mooie auto stop!

En iedereen riep: ‘Dat was knap!
Hiep hiep hoera voor Ruitje Lap!'