Vrolijk klaterend stroomde een beekje van de bergen naar het dal. Menigmaal liep het door malse weiden en de geurende bloemen bogen hun kelken om van zijn kristalhelder water te drinken. Een ander maal moest het zich een weg banen door ruwe rotsblokken, ja soms kon het niet om een rots heenkomen en dan moest het beekje zich over de rots naar beneden storten. Nu en dan liep het door duistere schaduwen, maar altijd en in alle omstandigheden murmelde het zijn vrolijk lied en spoedde zich naar zijn verre bestemming.
Nu stroomde het door uitgestrekte boomloze weiden. De zon zond haar hete stralen op de aarde neer en zelfs het beekje voelde de verterende invloed van de middaggloed. Opeens ontdekte het in de verte een lieflijke boomgroep en spoedde zich er vrolijk heen. En zie, daar lag - omringd door schaduwrijke linden - een vijver, de blauwe hemel spiegelde zich in het water ervan. "Wees gegroet!" riep het vrolijke beekje de vijver toe, "wat rust u hier behaaglijk!"
"En waar spoedt u zich heen?" vroeg de vijver ernstig. "Wilt u ook niet uitrusten, zoals ik?"
"Ik mag mij niet lang ophouden", antwoordde de beek. "Met onweerstaanbare kracht word ik voortgetrokken. Ik voel het, ik moet mijn kracht gebruiken en de taak vervullen die mij door de Schepper gegeven is."
"Wel, lief broertje", sprak de vijver andermaal, "zo voornaam bent u toch niet. Dat lopen en haasten kunt u zich best besparen. Denkt u, dat de grote God u nodig heeft en zonder uw hulp het niet stellen kan? Dan vergist u zich! Hoeveel schoner is het stil te rusten, op te zien naar de blauwe hemel en zich te verblijden over al het goede, dat God geschapen en gegeven heeft. Ik moet zeggen: ik ben zeer tevreden, dat ik zover gekomen ben en ik denk nu ook hier te blijven."
Het beekje voelde zich heel klein tegenover de ernstige broeder en ik zou denken dat er ook wel iets voor zijn mening te zeggen was. Maar toch - neen! Eenvoudig stil staan, rusten en genieten - dat kon het niet. Krachtig voelde het de drang om de grote Heer, die het in 't leven geroepen had, van dienst te zijn.
"Wees niet boos op mij, broeder", zei het eindelijk tot de vijver, "wanneer ik mijn wandeling voortzet. Ik weet wel, dat aan mij en aan mijn lopen niets gelegen is en dat de Schepper mij heel goed missen kan; maar mij overgeven aan een stille en behaaglijke rust, dat kan en mag ik niet. Al ben ik maar een heel klein beekje en al heb ik maar geringe kracht, dan moet ik deze kracht toch besteden, zo goed ik kan. Naar de blauwe hemel opzien, ja, dat wil ik ook, maar daarbij moet ik voorwaarts. Het schijnt mij toe, dat ik nog ver van mijn bestemming ben; ik wil lopen om haar te bereiken. Vaarwel!"
En het beekje vervolgde weer vrolijk zijn weg. Steeds nieuwe krachten vloeiden het toe uit de bron, verborgen in de berg. Weldra bereikte het de woningen van de mensen. Hier werd het in beslag genomen, moest hier een molenrad drijven, daar een zaag in beweging brengen, elders zijn water afstaan om een tuin te bevochtigen. Andere stromen zagen van verre zijn zilveren golven en haastten zich om zich met het beekje te verenigen. Het werd nu steeds groter tot het een flinke stroom geworden was, die op zijn sterke golven schepen droeg en zegenend en verblijdend het land doorstroomde.
Eindelijk bereikte het zijn doel, de grote, heerlijke oceaan. Jubelend goot het zijn wateren in de grote diepe zee en uit de golven klonk het in machtige akkoorden: "In het kleine zijt gij getrouw geweest, kom nu thuis!"
En de vijver? Hij lag lang halverwege op de berg. Maar ach, hij kreeg geen nieuwe toevoer en had ook geen afwatering. Het beviel hem wel goed in de schaduw van zijn bomen, maar hij wist niet dat het leven niet gedijen kan zonder een eeuwigdurende stofwisseling, zonder nemen en geven, inademen en uitademen, een inzuigen van levenssap en een uitstromen daarvan. Zo bemerkte hij niet dat hij langzamerhand afnam, dat zijn eenmaal zo reine spiegel met een slijmige korst bedekt werd, waarin zich langzamerhand allerlei walgelijke planten ontwikkelden. Toen hij het eindelijk bemerkte was het te laat. De eenmaal zo vriendelijke vijver was een moeras, een afschuwelijk moeras geworden.