DE BEEK DIE ZICH GROOTS AANSTELDE (India)


Er was eens een beek, die gevoed werd door een bron, welke op de hoge en ver verwijderde bergen ontsprong. De beek sprong van rots op rots, terwijl ze naar alle zijden haar druppels wierp, schitterend met alle kleuren van de van de regenboog. Zij vermaakte het gevogelte, dat zich verkwikte met haar water. Zij verzamelde rondom zich al die schone schepselen, met vleugels fijn als gaas, met vormen teer en slank, bekleed met goud en saffier. De bloemen langs haar oevers openden hun kelkjes van ivoor en koraal, spreidden hun fluwelen mantels ten toon en werden door het spatten van haar golven als met diamanten getooid. De bomen breidden hun takken naar haar uit en dompelden hun wortels in haar bed. Het vee naderde haar boorden, loeiend van vreugde, en 't hijgende en vermoeide hert lestte zijn dorst aan haar water. De herders rustten aan haar zomen en de jonge meisjes kwamen er hun kruiken vullen, terwijl ze liederen voor haar zongen.

Op zekere dag wierp een Hindoe, bekoord door haar schoonheid, bloemen op haar golven en riep haar aan als zijn God, en weldra brachten alle bewoners van het land hun zieken bij haar om hen te laten drinken van haar water en zich te verkwikken aan haar weldadige frisheid.
Toen nu de kleine beek zag hoe zij het doelwit was van iedereen en de bewondering van de gehele streek opwekte, begon zij zich groots aan te stellen. Zij verhief haar stem en wierp klaterend rechts en links haar water, overstroomde het land of liet het droog, maakte duizenden onverwachte bochten en gaf zich onbeteugeld over aan haar grillige natuur. Kortom, zij gedroeg zich met de meest dwaze hoogmoed en nam eerbewijzen, offeranden, aanbiddingen en goloften aan alsof men die haar verschuldigd was.

Nadat men in 'het land van de oorsprong van alle dingen' dit hoogmoedig en trots gedrag lange tijd verdragen had, werden plotseling de wateren ingehouden. De beek, die zich hierover niet weinig verwonderde, zag met spijt haar watermassa verminderen. Allengs daalde haar watervlak en slechts met moeite en uiterst langzaam kroop zij tussen de rotsen door. De trotse beek was niets meer dan een schrale, ellendige, bijna onzichtbare waterdraad in een droog bed.
Toen begreep de beek haar zotheid. Afziende van haar dwaze hoogmoed erkende zij dat ze van zichzelf niets kon. Haar gedachten richtten zich naar de bergen en zij riep: "Al de bronen van mijn genade zijn in U." Terstond zond 'de oorsprong van alle dingen' haar overvloedig water toe, zodat haar loop nog rijker werd dan voorheen; zij sprong nu vrolijk naar de vallei, terwijl ze haar bed vulde met rein en helder nat en overal leven en vruchtbaarheid verspreidde.

En na die dag stelde de beek zich nimmer meer groots aan.

Bron: Oud en Nieuw Tijschrift voor de Jeugd, uitgegeven omstreeks het jaar 1900.
Tekst een ietsiepietsie gemoderniseerd door ©Annabee, 18 november 2007.

mythen, legenden en verhalen
home