HET MIDDEL TEGEN DOODGAAN

Nou ja, 't is lang geleden, hoor, wat ik nou ga vertellen, maar het kan toch best echt gebeurd zijn. Ik geloof het tenminste vast en zeker; dat wil zeggen, ik geloof niet alles, maar toch een heleboel ervan. Ja, ik denk dat er wel een héél klein beetje eerlijk waar van is, wel niet veel, een héél klein beetje maar, hoor. Eigenlijk geloof ik misschien dat hele verhaal alleen maar, omdat vlierbessenjam zoo gezond is. En zoo lekker ook. Maar laat ik nu eerst dat verhaal vertellen.

Er was eris een koning, zo'n ouderwetse, deftige koning, met pages, die hem op z'n wenken bedienden en hofdames en hofheren, allemaal in de duurste kleren. En je weet wel, dat koningen van vroeger bijna altijd op jacht waren. Wel, de koning, die ik nu bedoel, ging ook veel op jacht. Niet alleen natuurlijk, nee, alle deftige dames en heren van het hof gingen dan mee.
Op een keer, 's morgens in de vroegte, trok een grote stoet met den koning voorop uit het paleis; er zou weer gejaagd worden en nu in een heel uitgestrekt bos, erg ver weg in een eenzame buurt. Niemand wist er eigenlijk goed de weg. Toen dan ook de jachtstoet in het bos was aangekomen, duurde het niet lang, of het werd dwalen en dwalen en nog eens dwalen. Maar het ergste kwam nog: plotseling bleek, dat de koning er niet meer was! Hoe dat nou kon, begreep niemand, maar vast stond, dat hij moederziel-alleen in het grote, donkere woud ronddoolde ... Natuurlijk had de koning ook zelf spoedig bemerkt, dat er niemand meer bij hem was. Hij draafde daarom op zijn paard alle kanten uit, maar wat hij ook deed, hij vond niemand van zijn hofheren terug en ongelukkigerwijze raakte hij hoe langer hoe verder van huis. Het bos werd hoe langer hoe dichter en donkerder en geheimzinniger. Je kon merken, dat de koning in een gedeelte van het woud terecht was gekomen, waar nooit een sterveling kwam, in een oord, dat door de mensen vergeten was. Niemand wist eigenlijk nog, dat het bestond.
Juist wilde de koning eens even afstijgen om uit te blazen van de vermoeiende rit, toen hij tussen de stammen een man zag staan. Dadelijk reed hij op hem toe. Het bleek een stok- en stokoude man te zijn. Lange zilvergrijze haren hingen onder zijn muts uit en zijn even grijze baard kwam tot bijna op de grond. De koning was erg verwonderd hier zo'n vreemden, ouden man te zien. Maar toen hij nog dichterbij kwam werd zijn verwondering nog veel en veel groter. Want de oude man stond te huilen, hartroerend te snikken, 't was akelig om te zien. Grote tranen rolden in zijn lange baard. Dadelijk sprong de koning van zijn paard en vroeg vol medelijden, wat er toch aan scheelde. Doch de oude man snikte en jammerde maar door. Eerst na lang troosten kwam de grijsaard een klein beetje tot bedaren en kon hij een beetje fatsoenlijk antwoord geven. Met horten en stoten vertelde hij toen, dat hij zo schreide, omdat ie zo'n verschrikkelijk pak voor z'n broek had gehad. De koning wilde dadelijk weten, wie dat gedaan had; hij zou die schavuit wel eens eventjes leren. Maar de oude man schudde mistroostig het hoofd: z'n vader had hem zo duchtig onder handen gehad! Dat moest dan wel helemáál een oude man zijn, dacht de koning. 'Maar wat heb je dan toch misdaan?' vroeg hij den ouden man. Ja, dat was eigenlijk een ongeluk geweest, de man met de lange baard had niet goed uitgekeken en door zijn schuld was zijn grootvader gevallen en had zich nogal bezeerd. 'Dus je grootvader leeft ook nog?' vroeg de koning steeds verbaasder. De grienende grijsaard knikte en vertelde verder, dat alles nog wel goed zou zijn afgelopen, als zijn over-grootvader toevallig dat vallen niet gezien had. Die over-grootvader had hem een geducht standje gegeven. En ook daar zou het bij gebleven zijn, als zijn bet-overgrootvader niet zo'n klikspaan was geweest. Want die had natuurlijk dadelijk alles overgebriefd aan den bet-bet-overgrootvader. En die bet-bet-overgrootvader wilde de karwats gaan lenen bij den bet-bet-bet-overgrootvader, maar die was gelukkig niet thuis. En daarom was ie naar den bet-bet-bet-bet-overgrootvader gelopen en die was wel thuis en had de beddestok gegeven. En daarmee had de oude man van zijn vader voor zijn broek gehad. Zeker had ie nog meer gekregen, als op zijn erbarmelijk gehuil niet zijn bet-bet-bet-bet-bet-overgrootvader was komen toesnellen en gezegd had, dat het nou wel mooi genoeg was. Zijn bet-bet-bet-bet-bet-bet-overgrootvader was er ook nog aan te pas gekomen, en ook nog zijn bet-bet-bet-bet-bet-bet-bet-overgrootvader. Maar ik ben eerlijk gezegd een beetje in de war geraakt en herinner me niet meer precies wat de oude man nog verder vertelde. Wel weet ik dat er nog meer en nog veel oudere voorouders bij die ranselpartij aanwezig geweest waren.

De koning verging het net als mij, ook hij raakte helemaal de kluts kwijt, en hield op lest zijn hoofd vast bij al dat bet-bet-bet-bet-bet ... Nou, je zou er ook je verstand door verliezen. 'Houd op!' gelastte de koning eindelijk. Wat de koning natuurlijk wel begrepen had, was, dat er nooit iemand dood ging van de familie van dien grijsaard en wat hij ook begreep was, dat die ouwe mensen allemaal het geheim wisten om in lengte van dagen in leven te blijven. En naar dat geheim was de koning heel begrijpelijk erg nieuwsgierig en daarom gaf hij den grijsaard zijn gouden tabaksdoos en verzocht hem het geheim van het eeuwige leven te verklappen.
De grijze oude man droogde zijn tranen en vertelde den koning, dat zijn familie werkelijk het geheim van het eeuwige leven kende. 'Maar', zei de grijsaard, 'U kunt dat geheim beter aan mijn zoon vragen. Want mijn zoon heeft een zoon, mijn kleinzoon, en die weet het geheim het best. En dat komt, omdat de zoon van mijn kleinzoon, dus mijn achter-kleinzoon, een zoon heeft, dat is mijn achter-achter-kleinzoon, en die achter-achter-kleinzoon weet van den zoon van zijn zoon, dus van mijn achter-achter-achter-achter-kleinzoon, dat de zoon van mijn achter-achter-achter-achter ...' 'Houd op!' riep de koning, 'met je achter-achter-achter. Ik begrijp er niets meer van. Zeg het geheim ...' 'Ja, maar ik kan zo slecht onthouden', zei de oude man en de tranen stonden alweer in zijn ogen. 'Maar laat ik eens goed verzinnen ...' En werkelijk herinnerde de grijsaard zich het kostelijke geheim: 'Wij eten altijd vlierbessenjam op onzen boterham!'

Na lang zoeken kwam de koning in zijn paleis terug en daar vond hij ook de andere leden van de jachtpartij terug. En na die tijd at hij altijd vlierbessenjam op zijn boterham en hij leeft nog!

Uit: Sprookjes van dieren en planten - Henk van Laar - Het Verguld Blazoen, 1945

de vlier - recepten met vlierbessen - Groottante Hortenses heksenpunch

mythen, legenden en verhalen
home