Heb je ooit van de tijd der Kabouters gehoord?
Dat was toen een leventje - één in zijn soort!
Bijvoorbeeld: een knecht had aan het werken een mier
En deed niets dan luieren of nam zijn plezier;
Dan kropen des nachts
Zo heel onverwachts
De dwergjes als mieren
Door gaten en kieren,
Krioelden
En woelden
En zwoegden en slaafden:
En 's morgens reeds voor het gekraai van de haan
Vond ieder zijn werk door kabouters gedaan.
De schoenmakersknecht stak zijn els in het spek,
En dacht: Wie op maandag nog werkt, is een gek!
Kaboutertjes kwamen en namen de schoen,
En keken wat lapwerk er viel aan te doen.
Zij maakten een draad
En spanden de naad
En pikten en prikten
En stikten en flikten
En tikten
En likten
En wreven en wasten
En poetsten en pasten:
En voordat de baas uit zijn bed was gestapt,
Was alles aan schoenen en laarzen gelapt.
De timmermansknecht schoftte zes uur per dag,
En kroop in de krullen als niemand hem zag;
Des nachts zocht 't volkje den winkel in 't rond
Of 't iets te karweien, te knutselen vond:
't Nam hamer en bijl
En beitel en vijl,
En dan aan het kloppen
Op nagels met koppen
Aan 't dragen
En zagen
En schaven en spalken
Van planken en balken:
En kwam de baas kijken, hoe 't stond met de zaak,
Dan vond hij de spullen perfect in den haak.
Het ging bij de slager precies evenzo:
Want lag nog zijn knecht als een luilak op stro,
Dan kwamen de kereltjes vlug op een draf,
En slachtten het varken en hieuwen het af,
Verdeelden het net
In reuzel en vet,
En haakten de hammen
En zijden aan krammen,
En hutsten
En klutsten
En stopten met vulsel
Het vliezige hulsel:
En als nu de baas van zijn legerstee kroop,
Dan hingen reeds metworst en bloedworst te koop.
De bakker ook trokken zij flink uit de nood:
Zij wanden het koren en bakten het brood;
En draaide de knecht zich nog om op zijn zij,
Dan was het reeds druk in de broodbakkerij:
Zij haalden de rog
En vulden de trog
En kneedden en wroetten
Met handen en voeten
En smakten
En kwakten
Het baksel en schoven
Het wip, in den oven:
En als dan de baas uit de bedstede schoot,
Dan lag voor het raam al het versbakken brood.
De wijnkopersknecht liet zijn werk erop staan,
En 't kwam hem zo nauw op een glaasje niet aan,
En kreeg hij een roes weg en sloeg hij erneer
Dan waren de mannetjes druk in de weer:
Zij tapten het nat
En zwavelden het vat
En dreven de sponnen
En rolden de tonnen,
Zij hurkten,
Zij kurkten
De flessen en lakten
En plakten en pakten:
Zodra weer de dag door het keldergat scheen,
Zag nuchtere Klaas alles klaar om zich heen.
Een kleermaker had het eens vreselijk drok
Want morgen moest klaar zijn een vest, broek en rok.
Zijn knecht was aan 't zwieren, de pet op een haar;
Maar 's nachts kwam het volkje met persplank en schaar:
Het kruiste de been,
Begon zo meteen
Te snijden, te schikken,
Te naaien, te stikken.
Te lassen,
Te passen,
Te persen, te boorden
Met linten en koorden:
'Och, vrouw!'- riep de baas uit zijn bed, 'dat valt mee,
Het pak ligt al klaar in nieuwmodische snee.'
Des kleermakers vrouw, een nieuwsgierige Trijn,
Zei stil bij zichzelve: 'Wat mag dat toch zijn?'
Zij strooide grauwe erwten en hield toen de wacht; -
Daar kwamen de snijdertjes koesjes en zacht ...
Maar ach, wat een kruis!
Vol bommen het huis ...
Zij stieten hun schenen
En kneusden de benen,
Al stomlend
En schomlend,
En tolden en rolden
En jolden en scholden.
De vrouw, een-twee-drie, steekt het nachtkaarsje aan -
En pst! ... al het volkje is opeens naar de maan.
Hoe jammer, wij zijn de kabouters nu kwijt;
Zij kwamen zo netjes van pas in deez' tijd!
Uit: Nederlandse volkssprookjes - Dr. Tjaard de Haan - ISBN 9027475695