Als een lange lintwurm strekt Schokland zich nu boven het vlakke land van de Noordoostpolder uit. Bekijk je het uit het oosten vanaf Ens of uit het westen vanaf Nagele dan lijkt het heel wat. Maar rijd je van dat ene dorp naar het andere dan blijkt Schokland niks meer te zijn dan een smalle bobbel in de weg, waar ze vergeten hebben een verkeersbord bij te zetten: Uitholling overdwars.
Toen de Noordoostpolder nog een deel van de Zuiderzee was, was dat wel even anders. In die tijd was Schokland bij stormweer een graag gezochte vluchtplaats voor schipper en visserman. Wanneer de wind gierde uit het westen lagen ze veilig achter de smalle en lage maar veilige rug van Schokland. 'Als Magere Marten achter de brede rug van Dikke Dora in de beddestee', zei grootva altijd.
Op een van de schepen die vaak in de haven van Emmeloord schuilden was Berend schippersknecht. Op die manier spaarde hij een paar cent om zelf te kunnen gaan vissen. In tegenstelling tot zijn schipper vlaste Berend er steeds op dat het zou stormen wanneer ze bij Schokland waren. Want Berend had wat te zoeken op Schokland, namelijk op Ens of Middelbuurt. Of eigenlijk zocht hij niet, hij had het er al gevonden. Zijn geluk! Dat was Zwaantien, een vissersdochter die vlak bij de kerk van Middelbuurt woonde. Het weer kon niet zo beroerd zijn of Berend ging op stap. Voorzichtig zocht hij zijn weg over de loopplanken die op palen langs de oostkust tussen Emmeloord en Ens waren aangebracht.
Zo ook eens op een donkere herfstavond. De wind loeide, de golven klotsten. Het schuim spatte Berend zelfs soms tot boven zijn pet. De stormlamp die Berend bij zich had gaf maar weinig licht. Soms waaide die bijna uit. Nu moet er gauw een stuk hoger gelegen land aan stuurboord komen, dacht Berend. De schapen die er altijd liepen zouden het wel slecht hebben met dit noodweer. Hoorde hij ze al? Nee, toch niet. Hij hoorde wel wat. Maar wat was dat? Het was geen geblaat, het leek wel kattengejank. En wat was dat voor flakkerend licht? Het leek wel een vuur!
Weer kwamen hem de waarschuwende woorden van de schipper in gedachten. 'Gao niet, Berend. 't Is precies een aovend det de eksen dansen umme de motketel. Det doen ze altied in stormachtige nachten, dan komen ze uut eel Friesland, Overiessel en Gelderland nao Schokland. Gao niet!'
Verduld, de schipper had gelijk gehad. Hij zat midden tussen de heksen. Ze hadden zich omgetoverd in krollende katten en krioelden nu om Berend heen. Soms vloog er een tegen zijn broekspijpen omhoog, wilde hem in het gezicht krabben. Blazend sprongen andere katten om hem heen. Het leek wel of er steeds meer kwamen. Daar was weer zo'n kreng dat Berend wilde aanvliegen. Hoe kwam hij hier uit deze heksenketel? Wacht, het zakmes. Vlug graaide Berend zijn mes uit zijn broekzak, haalde het uit de schede en smeet het naar de aanvallende kat. Raak! Met een vreselijke schreeuw sprong het ondier weg. Ook de andere katten krijsten als gekken.
Toen werd het stil. Tegen een lichtere wolkenflard zag Berend de heksen wegvliegen op hun bezemstelen. In een lange rij achter elkaar aan. Een kwam wat achteraan. Die had zich een witte lap om de voet getoverd. Hoe Berend ook zocht, zijn mes was en bleef weg. Nog trillend van de zenuwen rende Berend naar zijn Zwaantien op Middelbuurt. Totaal overstuur kwam hij daar aan.
Het gebeurde jaren later. Berend was toen allang getrouwd met zijn Zwaantien. Hij voer als visserman op de korte golfslag van de Zuiderzee. Op zekere dag had hij een beste besomming Zuiderzeeharing afgeleverd bij de Harderwijker visafslag. Er kon dus wel een borrel af en hij verging van de honger. Dus stapte hij een herberg dicht bij de haven binnen en bestelde zijn borrel en een paar sneden brood. De waardin bracht het hem, maar toen hij het brood wilde snijden verstarde hij van schrik. Dat mes kende hij!
De waardin, die zijn schrik zag, grijnsde hem toe: 'Ken je dat mes, Berend?' 'Ja, dat is mijn mes', stotterde hij. 'Krek', zei de vrouw, 'en van dat mes heb ik een litteken op mijn voet. Weet je dat wel, Berend?' Fel keek ze hem met haar steekogen aan. Kooltjes vuur glansden in de pupillen. En weer vroeg ze met de nadruk op iedere lettergreep: 'Weet je dat wel, Berend?' Berend stotterde dat hij het niet wist.
'Ik wil je één ding raden', zei de waardin, 'gooi nooit meer je mes tussen de katten. Het is deze keer goed afgelopen, maar als ik je had kunnen krijgen die nacht!'
Zonder zijn borrel en zijn brood aan te raken smeet Berend wat geld op tafel, greep het mes en rende de deur uit. Hij begreep dat hij met een van de heksen van de motketel te doen had.
Nooit heeft Berend meer in Harderwijk vis aan de afslag gebracht.
Uit: Vertelsels rond de IJsselmond - ISBN 90-288-6335-4