WONDER TE LIDLUM

Stil brandde de zilveren nachtlamp in de cel van den Abt van Lidlum. Op de witte muren lag de verteedering van haar licht zijig-geel, en de schaduw van de bewegelijke monnikshanden danste over de perkamenten bladen van het volbeschenen getijdeboek.
Nu las de Abt pieus het latijn der zuivere gebeden en kruiste de armen, en telde het kralental der bidsnoeren aandachtig.
Maar hij had ook de dagen gekend, dat hij nog Eelco Liauckama heette, en in Friesland bezitter was van menige stins en landgoed. Doch zie - wonder daalt de godsvlam in de harten der menschen en maakt hen stil en bereid tot het beluisteren der rafelteere dingen, die uitgaan boven het tijdelijke. En de ridder Liauckama had zijn goederen geschonken aan de Kerk, en was gegaan tot het klooster van Lidlum en monnik geworden en Abt.
Nu waren hem de dagen geworden tot doormartelde zelfkwellingen; hun schijnsels vielen als honende branden in zijn cel, als hij zichzelf smartlijk de lendenen snoerde, of zich wrong voor het Kruisbeeld, en in ascese en lijfkastijding het vergeten der aardsche begeerten zocht.
Maar de nachten waren groote rustpoozen vol zacht lamplicht, vol wonders van overpeinsde wijsheid, die neergeschreven stond in vele boeken, om nooit meer te vergeten. Om den Abt op de tafel stapelden zich de kerkvaders en de vergeelde perkamenten der heiligen-levens. Een doodshoofd stond daarneven en staarde oogenloos naar de witgekalkte muren. En zoo vaak de Abt het zag, nam hij het in de hand, en mat de kortheid van het leven der menschen aan het eeuwigblijvend bestaan der Godheid.
Aldus werd zijn leven een stille verinniging naar een tweede zijn, dat duurzamer was dan het harte-gesloten leven der monniken om hem.
Want déze waren der wereld toegenegen, te veel en te onwaardig. Zij verstonden niets meer van het wonder der mis, dat dagelijks onder de handen van den Abt voor hun openbloeide; en de lofliederen, die zij in koor zongen, werden schril en heesch in hun wijnvergorgelde kelen, en hun gang waggelde van dronkenschap en ontucht.
Want als de avond kwam, en de sterrekelken hingen in de lucht, dan zochten zij niet in devoot verlangen, zooals het monniken betaamt, de stilte van hun cel, en negen zij voor den Gekruisigde of de Gods-Moeder, maar juist dan ontstaken zij de veelkaarsige lichtkronen in de groote zaal, en in de keuken stookten zij het vuur onder de wildbraden, en zij ontsponden den doembaren wijn in de kelders, en zetten de tafels neer met zilveren kannen en kroezen en schenkbekers van flonkerkristal. Dan rumoerde het festijn op, en de monniken leefden als vorstelijke zwelgers, want hun kloosterbezittingen waren rijk, en de vromen offerden der Kerke blijmoedig.
De Abt was met droefenis vervuld over het tuchtloos-wereldsche leven zijner ordebroeders, en sprak meerdere malen tot hen met woorden van ernstig vermaan. Dan deden zij boete, maar met donkere blikken op den Abt, en gebalde vuisten. En Eelco Liauckama bemerkte hun wrevelen en hun valsche schuld-belijdenis en keerde zuchtend in naar zijn eenzame cel, die hij niet verliet, dan om in de kloosterkapel de mis te lezen. En na iedere boetedoening richtten de monniken hun feesten weer aan, bandeloozer dan ooit te voren.
Stil brandde de zilveren nachtlamp naast den Abt, en deed in rondgelenden schijn de schaduwen zijner beweeglijken handen vluchtigen over het getijdeboek.
In het klooster hoorde hij, hoe de monniken bedrijvig werden. De schragen vielen met dofhouten klank over de met zand bestrooide vloer, die schuurde onder de treden der mannen; het getinkel van vaatwerk steeg tot zijn oor, met den klank van de verruwde stemmen, die opgingen in korte smaadlachen en zinlooze woorden.
De Abt boog het hoofd over de perkamenten, zijn machteloosheid, iets tegen de verdorven levenswijs zijner monniken te doen, weglezend in de oude bladeren .....

Syardus

Op de trap werden nu schreden hoorbaar. De monniken kwamen op naar het hooggelegen studeervertrek. Eelco Liauckama hoorde het, en stond op. Wat ging men doen? Wat begeerden de zwelgers van hem?
De deur werd eensklaps open gestooten en de grootwoeste figuur van broeder Syardus, den vechtersbaas, verscheen breeduit in de opening. Achter hem bemerkte de Abt nog meerdere monniken, en het was hem, of al die op hem gerichte oogen, klein van zucht naar tergen en kwellen, hem met weerhouden dreiging aanzagen. Een onverklaarbare angst rees hem naar de keel, toen Syardus hem naderde, en het roode gelaat met een lach, die als spot klonk, dicht bij het zijne bracht:
'Hoe wilt ge, heer Abt? Is U de eenzaamheid dan zoo lief? Het zou ons zeerbehagen, als ge mee woudet aanzitten ter tafel, en een bokaal ledigen op het welzijn van het Lidlumer klooster.'
De Abt trad terug en schudde het hoofd.
Maar het volgende oogenblik had hij berouw, dit te hebben gedaan, want in zijn geest zag hij reeds de twist, die hij zou ontketenen, zoo hij weigerde te doen naar het verlangen zijner ordebroeders. En bovendien - zij hadden hem genood, slechts één bokaal op hun welzijn te drinken, en om één beker wijns een nog grooter misnoegen der monniken tegen zich te verwekken, dan zij buiten twijfel reeds bezaten, verkoos Eelco Liauckama niet.
En daarom sprak hij, zijn gelaat dwingend tot een als vriendelijk-verraste lach: 'Zeer gaarne zal ik U den dronk toebrengen - maar vergeef het mij, als ik slechts kort bij U blijf. Gij weet, dat de boeken mij liever zijn dan een feestmaal; laat mij weder mijn perkamenten, wanneer ik U toegedronken zal hebben.' Zóo sprekend, volgde hij Syardus.
Het heele klooster kwam in rep en roer; welk wonder was geschied, dat de Abt van Lidlum zich tusschen de drinkende kloosterlingen ging begeven?

De monniken sleepten den zwaargebeeldhouwden abtszetel naderbij, en onder toejuiching van allen nam Eelco Liauckama plaats aan het hoofdeinde van de tafel, en bracht zijn ordebroeders een heildronk.
Een vreemde roes beving hem, dien den geurenden, zwaargekruiden wijn ontwend was. Hij bemerkte niet meer de vlamroode gelaten van Syardus en de anderen; alles duizelde in een lichtzee vóór hem; en hij zonk even roerloos achter over. Toen hij weer klaarde van bewustzijn en de zwaargezonken oogleden had opgeslagen, zag hij in, wat hij beging, en hij wist, dat hij na dezen verderfelijken dronk geen tweede meer nemen mocht, zoo hij, de asceet, de schande van dronkenschap wilde ontgaan. Maar de monniken rondom hem hieven reeds weer de schenkkannen en schuimden de bokalen boordvol, en reikten hem opnieuw een hoogen beker.
Radeloos nam de Abt ze aan: weigeren kon hij niet meer. Toen viel eensklaps zijn oog op de wijde mouwen van zijn tabbaart; en heimelijk God en de Heiligen dankend goot hij verstolen het druive-vocht dáárin. - En telkens, als men hem een wijnkroes aanreikte, of een stuk wildbraad, of een snede van de welbereide pasteien, deed hij dit stil glijden in zijn tabbaarts mouwen, hopende, dat geen der omzittende monniken het zien zou.
Maar broeder Syardus had het gezien. En zijn tafelbuur aanstotend, wees hij dezen op hetgeen de Abt deed, wanneer hem iets werd aangereikt. En zoo ging de kwade ruchtbaarheid van Liauckama's tafelgedrag in het rond, tot de heele monnikenschaar het wist, en bij zichzelf juichte, wijl zij nu op haar beurt den Abt berispelijke handelingen kon aantijgen.
Syardus stond op, en de anderen volgden zijn voorbeeld. Ontsteld zag Eelco Liauckama rond: Wat wilde men nu van hem? De gezichten der monniken stonden weer honend en hun uiterlijk dreigde. Zou men bemerkt hebben, wat hij had gedaan, om niet door één dwaze daad de winst van jaren te niet te slaan?
Het scheen zoo. Het scheen zoo. Met een enkel gebaar zag hij, hoe Syardus op de wijde, verbergende mouwen wees, en kortweg hoorde de Abt hem eischen, dat hij moest vertoonen, wat daarin verstoken was.
Verschrikt kruiste de Abt de armen over de borst, en sprak, dat hij onmogelijk kon doen, wat zij van hem verlangden. Vergeeft beriep hij zich, toen zij al dreigender eischten, op zijn gezag van abt. Maar zij luisterden in hun roes en verdooving reeds niet meer. Syardus het eerst hief een zwaren zilverschotel van de tafel, en sloeg hem, dat hij bedwelmd in zijn zetel zonk; toen drongen allen op hem aan, en sloegen en stietten hun ouden wrok uit, en rukten zijn gekruiste armen van elkaar, en schudden de mouwen van het gewaad uit .....
Doch zoo groot was het welgevallen Gods in den pieuzen abt, dat niets van hetgeen zij in kwaadaardige vreugde verwachtten, ter aarde viel, maar louter groote, witte volbladige rozen neerruischten uit de mouwen van de pij, die daalden over de schoot en de voeten van den abt, en op de tafel voor hem, en hem ter beide zijden, de gansche zaal doorpurend met de zuivere geur van amber en honing.

Bron: Friesche Sagen - Theun de Vries - 1925

mythen, legenden en verhalen
home