Sagen van ROODEKLIF EN KREIL

Hoog-gerugd, in een lichtkring van zand, dringt het Roodeklif de zee in, als een wel-sterke wering van de Zuidwestergooën.
Nu breekt het de zwaarslaande zeestroomingen, die schuimbruisend uit de open wereldwateren aanrollen; maar voor eeuwen her deinde het wijdgestrekte Flevo-meer tegen zijn schorende hoogte, en schuurden de laaghangende, Noordsche regenwolken schier over zijn zandbergen. Daarachter rezen de donkere, dichte bosschen van het Kreiler Woud, en lagen de meren blinkend, met hoog-omlischte oevers.
Vele verschrikkingen nu kan men beschreven vinden uit den tijd, dat de Asen nog op gezwinde wolkepaarden door de lucht joegen en de kobolden in maanlichte nachten dansten op de kruin van het klif.

In het jaar 4 zagen velen, hoe op zijn zandhelling de grond sidderde en openberstte, en een vuurzuil opsloeg tegen de lucht, die de wolken purperde, en de boomen en struiken in den omtrek schroeide; àl brandender en zengerder groeide zij uit, door drie dagen heen, tot op de vierde dag een ontzetbre draak opschoot in de vlammende werveling van het vuur, boven de flakkerende laaitongen uitsteeg en een half uur boven de roodrookende brandkuil hing. Daarop echter verzonk hij weer in de vuurbron, met de vlammezuil, waarna de grond zich sloot, en de zeewind de verstikkende lucht wegwoei in ijle slingeringen.
Doch in de harten van velen, die dit alles hadden gezien, bleef de navrees, die hen niet verliet, zoolang zij leefden, en er hen gedurig van deed spreken.

Na anderhalve eeuw geschiedde het, dat op dezelfde plaats de zandgrond openspleet, en het vuur opnieuw omhoog vloog en uitbrandde tot een verschrikkelijke vlammenwijdheid. Lieden, in wier geslacht van vader op zoon de geschiedenis van de vorige uitbarsting was oververteld, vreesden groote onheilen voor Friesland, en smeekten hertog Askon, die in Staveren zetelde, om de oorzaak na te doen speuren van dat wonderlijk-ontstellend verschijnsel. De hertog liet nu zijn wichelaars trekken naar het Roodeklif, maar zij konden den oorsprong der branden niet uitvorschen, en keerden, zonder het schrikgebeuren te hebben doorgrond, naar hun heer terug.
Den achtsten dag echter, nadat de vlam de aarde ontstegen was, keerde zij daarin terug; de naschijn doofde, de grond sloot zich, en na korten tijd waren weder alle kenteekenen van de uitbarsting weggevaagd.
Maar de oudsten van het volk verkeerden in een steeds-blijvende angst, en voorspelden onophoudelijk, dat er een doodelijke ramp over Friesland zou komen. Hertog Askon, mede bevangen door hun niet-te-verbannen vrees, zond een stoet van dienaren met kostlijke geschenken en wijgaven naar den weidschen tempel van den volksgod Stavo, die in Staveren zijn opperpriester had, en smeekte den god een orakel.
Dit luidde als volgt: 'Mijn volk vreeze niets. Niet de hitte, doch de koude, die haar volgen zal, maar die nog lange, lange jaren uitblijft, zal het volk schade toebrengen.'
Hoewel men het orakel van Stavo niet ten volle begreep, was men toch eenigszins gerustgesteld, wijl de god de vuurgloeden uit zou laten blijven, wat in de eerstvolgende tijden ook zoo geschiedde, en het volk spoedig tot vergeten bracht.

In het jaar 207 echter, toen hertog Titus uit het geslacht van Askon heer was in Friesland, herhaalde de vuurbrand zich. De vlammen sloegen over een breeden omtrek uit den grond en laaiden tot ontzetting der aanschouwers over het heele Roodeklif uit, versissend en verspattend in de brakke meergolven onder aan zijn helling. Brandwalmen woeien over zee en vertrilden in de lucht, en het was, of de wolken uiteenstoven onder de woeste kronkeldansen van het hoog-opgaande vuur, dat suisde en zwoegde alsof een vervaarlijke blaasbalg in het aardehart haar laaïngen aanwakkerde.
Hertog Titus, door zijn kroonvrienden indachtig gemaakt aan de vroeger voorgevallene uitbarstingen, liet drie dagen lang in den Stavo-tempel voor het ongesneden, heilige godsbeeld wierooken en brandofferen; schoone, witte runderen met bloemomwonden horens en bekranste ruggen werden door de landlieden van alle zijden aangebracht; de altaren liepen over van offerbloed. - Toen werd god Stavo bewogen door de groote ontroering van zijn volk, en gaf bij monde van zijn hoogepriester te kennen, dat de hertog door een welbewapend en sterk-gerust man drie kruiken zout Noordzeewater in de laaiende kolk van vuur moest laten werpen.
Onmiddellijk togen er mannen van den landsheer naar zee, en keerden met het verlangde water terug, dat nu door een van 's hertogs krijgslieden op de voorgeschreven wijze in de gespleten klifgrond gegoten werd.
Dadelijk verzonk de brand, en de grond sloot zich, nadat het vuur elf dagen lang gewakkerd had en een schrik teweeg gebracht, die vele, vele jaren duurde, en pas verdween toen er een nieuw geslacht kwam, dat de verschrikkingen van de Roodeklif niet met eigen oogen aanschouwd had, en lachte om de verhalen van vlammen en vuurdraak.



Voordat de laatste uitbarsting van het Roodeklif plaats vond, waren er reeds andere, niet minder wonderlijke voorteekenen in den omtrek van het Kreiler Woud geschied, die er op schenen te wijzen, dat het Friesland slecht zoude vergaan.
Bij het Kreiler Bosch woonden, dicht in de nabijheid ook van de hertogenstad Staveren vele grondbezittende Friezen, vrienden van den landsheer. Hun versterkte hoeven, die met alle bijgebouwen en schuren en knechtswoningen op dorpen geleken, lagen daar beveiligd tegen storm en wind achter den zekeren boomenwal.
In het jaar 164 viel het voor, dat éen dezer volksedelen geen voldoende drinkwater voor zijn talrijke veestapels meer putten kon uit een vroeger door hem geslagen bron. Hij beval daarom eenige dienaren op een andere plaats een nieuwe put te graven, en de mannen togen op weg. Bezuiden Staveren, waar hun heer eenige zandgronden bezat, vermoedden zij zuiver drinkwater in den bodem; zoodra zij hier dan ook gekomen waren, groeven zij, tot zij werkelijk na verloop van tijd op water stietten. Toen zij nu de wel blootlegden, brak er een sterke waterzuil op uit den zandbodem en klaterde omhoog als een helstralende fontein. Velen uit den omtrek kwamen geloopen om de rijkwellende, nieuwe bron te zien, en prezen der goden naam over zoo een sterkgevenden bodem. De bron bleef drie dagen lang hoog doorspuiten; toen eindigde de krachtdadige waterstraal, en onder in den gegraven bodem borrelde het water evenals bij ieder andere bron zachtvloeiend door.
Toen men echter van dit nieuw gewonnen water wilde proeven, bleek het zout te zijn als de golven der zee. Dit gaf een groote ontsteltenis, en deed wederom vele ouderen beweren, dat de Nornen donkere dagen over Friesland beschikt hadden.
De edeling, wien het land en de bron toebehoorden, werd door den zoutwaterput zoo beangst, dat hij dadelijk eenige knechts beval, naar Staveren te gaan, en voor het altaar van den landsgod een schoon kudderam te slachten. De mannen deden aldus, en daarop liet Stavo hen weten, dat de wel op zou houden, zout water te geven, wanneer iemand bereid was, het bloed van een driejarig kind te plengen in het zilte bronwater.
Met deze boodschap kwamen de dienaren wederom bij hun heer terug. Deze zag nu om naar een driejarig kind, en zoodra hij hoorde, dat een dat een zijner knechts een kind van dien leeftijd bezat, liet hij het dezen, bevreesd voor eigen ondergang, met geweld afnemen, doodde het, en goot eigenhandig het opgevangen bloed in de zoutwaterwel.
Dadelijk hield deze met stroomen op, ja, ze droogde geheel uit. Vol vreugde, dat de kwade bron geen water meer gaf, liet de edeling de gegraven bedding dempen, en op een heel andere plaats een put graven, die wel zoet water bleek te geven.
Om echter de herinnering aan de zoutwaterbron geheel weg te wisschen, verlangde de edeling, dat de zandgronden geploegd en bezaaid zouden worden, opdat men niet bij het zien van den dorren grond aan de ontstellende gebeurtenis zou denken.
Men deed naar zijn woorden, en ploegde en zaaide. Doch het geheele jaar bleef de grond dor en kaal en zonder vruchten, en gene plant of halmscheut wrong zich door de doode aarde omhoog. - En het volgend jaar geschiedde het evenzoo, en het derde jaar op dezelfde wijze.
Toen men echter in de lente van het vierde jaar weer had geploegd en gezaaid, en rijkelijk korenzaden in de open voren gestrooid, won men in den herfst een schrielen, maar toch nog boven de verwachting gaanden oogst. En in het vijfde jaar viel deze oogst reeds grooter uit, en in het zesde en zevende jaar nog rijker, tot ten slotte de grond weer even vruchtbaar was als voor het wonder der zoutwaterput.

De zoutwaterputten kwamen met veel langer tusschenpoozen voor dan de verschijningen van het Roodeklif. Vierhonderd jaar nadat de eerste gegraven was, trof men er weer zoo een aan.
Aan den zuidwestrand van het Kreiler Woud woonde lang het edelingengeslacht van de Hoppers. Omstreeks 500 was het hoofd dezer familie heer Juw, die een uitgestrekte bezitting had op de plaats, waar nu Hoorn aan de Zuiderzee ligt.
Toen Juw Hopper eens van de jacht terug kwam, liep hem een dienstmaagd ontsteld tegemoet. Op zijn verwonderde vraag, wat haar zoo verbijsterd had, toonde zij hem een schepemmer, waarmee ze gewoon was water te putten uit een dicht bij de hoeve geslagen bron. - Juw Hopper zag in de emmer, en bemerkte een levenden haring, die ongestoord rondzwom; het water was zout.
Een donkere herinnering aan oude gebeurtenissen kwam in hem op. Hij riep zijn familieleden bijeen en toonde hun den haring. Daarop verhaalde hij hen, zooals hij het weer van zijn vader gehoord had, hoe vroeger god Stavo de voorspelling had gedaan, dat er na de hitte een koude zou komen, die het volk meer schade zou toebrengen. Zij allen kenden de geschiedenissen van de draak en de zoutwaterput, en begrepen wat Juw Hopper ook had ingezien: de koude, dat was de zee.
De edeling draalde niet lang, maar verkocht de bezittingen die hij bij het Kreiler Woud had, en trok oostwaarts, diep Friesland in, waar hij een andere hoeve bouwde, en andere landerijen aankocht, waardoor hij opnieuw een man van aanzien werd in Friesland.
Sinds dien tijd voerden, naar oude kronijken vermelden, de Hoppers een gekroonde haring in hun wapen.

Driehonderd jaren na deze gebeurtenis deed zich weer een zoutwaterput voor, nu echter benoorden het Kreiler Woud, in de weidevelden, die toebehoorden aan heer Iglo Tadema. Deze edeling had last gegeven, een wel te zoeken, en toen zijn knechts meenden een te hebben gevonden, hadden zij er een put boven geslagen, in de meening, dat het water er wel in zou rijzen.
Doch het water bleef voorshands uit; van tijd tot tijd zond Iglo Tadema er een dienstman heen, maar kreeg steeds hetzelfde teruggeboodschapt: de put bleef leeg.
Eens, dat heer Iglo, vergezeld van zijn zoon Jouke, in de omstreken zijn landerijen was wezen bekijken, dreef de nieuwsgierigheid hem, om eens naar den nieuwen put te gaan zien. De twee mannen begaven zich erheen, en zagen, toen zij de bron bereikt hadden, vol vreugde, dat het langbegeerde water gekomen was, en bijna tot aan den rand stond. Terwijl heer Iglo zich vooroverboog en met de holle hand het water schepte om te proeven, of het drinkbaar was, meende hij een waarschuwende stem te hooren, die van onder uit de put oprees.
Hij lachte echter om zijn vermeende inbeelding, en dronk. Maar vol afschuw wendde hij zich weg van de put: het water was bitter en zout. Toen Jouke Tadema vol bevreemding eveneens een handvol proefde, bevond hij hetzelfde. Doch terwijl deze nog bij de put stond vernam hij een diepe, verweg-opdreunende stem, die riep: 'Vlucht van dit land!' en deze stem kwam van onder uit de put.
Onmiddellijk wenkte de jonge Tadema zijn vader, in ingespannen luisterden ze samen. Het was geen inbeelding geweest: duidelijk en zwaar riep de stem: 'Vlucht van dit land!' met al dringender, al waarschuwender klank.
Vol ontsteltenis hoorde Iglo deze woorden aan, en zijn angst werd bij elken nieuwen roep grooter. Hij trok zijn zoon weg van de bron, en verhaalde hem met een van vrees bevende stem van den draak van het Roodeklif, van de zoutwaterputten, en van Stavo's voorspellingen; en toen hij gesproken had, stierf hij.
Zodra de begrafenisplechtigheden verstreken waren, liet Jouke Tadema, na diep en aandachtig bedenken van zijn vaders woorden, den put dempen, waarbij hij tegen niemand van den vermanenden stem sprak, en verkocht de landerijen, die hij bij het Kreiler Woud bezat. Hierbij had hij het plan opgevat, om evenals Juw Hopper vroeger gedaan had, naar veiliger oord te vertrekken. Zijn neef, die evenals hij zijn landgoederen in dien omtrek had, ontstak hierover in toorn, en verweet hem, dat hij een grond ging verlaten, waarop het geslacht der Tadema's vanaf den oudsten tijd had gewoond. Een heftige familietwist ontstond, waarbij menig knecht den dood vond; maar toen deze veete beslecht was, trok Jouke Tadema weg uit de Kreiler landen, en vestigde zich achter de zekere zandwallen van Gaasterland.
Want de koude kwam, naar de voorspelling van god Stavo. De stormwinden braken in een donkerwolkigen nacht uit hun banden, vlogen op en sloegen het geweld der zeegolven heen over het Kreiler Woud, dat met alle landen, die het begrensden, in de diepten verzonk, een geweldigen zeeboezem uitstrekkend, die nog bestaat als Zuiderzee.

Alleen het Roodeklif bleef als de lichtende zandkring, wonderberg uit de tijden, dat de Asen op wolkepaarden door de lucht joegen, en kobolden in maanhelderen nacht zijn kruinen bedansten.

Bron: Friesche Sagen - Theun de Vries - 1925


AANTEEKENINGEN

* ASEN - Goden van Walhalla.
* HERTOG - De naam der oudste Friesche landsvorsten. Hij beduidt niet meer dan legeraanvoerder. De macht dezer hertogen was steeds zeer beperkt en ging ook niet verder dan het aanvoeren in den krijg, soms in recht spreken. Zij beweerden af te stammen van (den legendarischen) Friso.
* STAVEREN - De oudste Friesche stad; lang economisch en politiek middelpunt van het zelfstandige Friesche rijk; de woonplaats der hertogen. - In het begin der middeleeuwen nog Hanze-stad, verviel het door de ligging, die buiten den koers der Hanze-vaart geraakte en door de verzanding der havens. (Uit dezen tijd dateert de legende van 'Het Vrouwtje van Stavoren'.)
* STAVO - Oorspronkelijke, speciaal-Friesche landsgod, die zijn naam gaf aan Staveren. Later geïdentificeerd met den zwervenden Wodan. - De Tweede Redbald heeft volgens de Friesche kronieken vooral gepoogd, zijn dienst weer ingang te doen vinden. Dit was reeeds in de 9e eeuw na Christus, ten tijde van Karel den Grooten.
* ONGESNEDEN BEELD - In de tempel van Stavo heette een steen te staan, die eenigszins den vorm van een zittend persoon (vg. Boeddha) moet hebben gehad. Deze werd als Stavo aangebeden.
* NORNEN - De Noorsche noodlotszusters, waarvan de eerste Urth (verleden) de levensdraden spon, Verdandi (wording, heden) de draden opwond, en Sculth (toekomst) ze afknipte. - De Noodlotsgedachte in de Germaanse mythologie is sterk ontwikkeld.

mythen, legenden en verhalen
home