DE KABOUTER (Schotland)

Er was eens een kleine jongen die Parcie heette. Net als veel andere kleine kinderen protesteerde hij altijd heftig zodra het bedtijd werd. Hij woonde met zijn moeder in een klein stenen hutje niet ver van de grens. Het waren arme mensen, maar wanneer 's avonds het haardvuur helder brandde en de kaarsen een warm licht uitstraalden, bestond er in hun ogen geen plek op aarde die zo gezellig was als hun eigen huisje. Meestal zat Parcie dan bij het vuur naar de verhalen van zijn moeder te luisteren, of hij staarde slaapdronken naar de steeds wisselende figuren in de dansende vlammen. Na enige tijd - veel te vroeg vond Parcie altijd - zei zijn moeder dan: 'Nu wordt het tijd om naar bed te gaan, Parcie.'
Nadat Parcie minstens tien keer had geprotesteerd, kroop hij 's avonds pas laat in de bedstee, maar hij sliep al voordat zijn hoofd goed en wel op het kussen lag.
Op een avond kreeg zijn moeder er schoon genoeg van zijn eeuwige tegenspraak aan te moeten horen. Toen hij weer niet naar bed wilde, besloot ze zelf naar bed te gaan en hem alleen achter te laten.
'Ook goed', zei ze, 'dan blijf je maar op, Parcie. Wanneer de oude feeënvrouw komt en je meeneemt, is het je eigen schuld.'
'Puh!' riep de jongen. 'Alsof ik bang ben voor de oude feeënvrouw.'
En hij bleef zitten waar hij zat.

Nu was het in die dagen nog heel gebruikelijk dat er 's nachts op de boerderijen en in de huizen van de dagloners een kabouter door de schoorsteen naar beneden kwam, de kamer schoonmaakte en alles keurig opruimde. Als dank daarvoor zette Parcies moeder altijd een schaaltje met geitenmelk klaar op de drempel en elke ochtend was het schaaltje leeg.
De huiskabouters waren vriendelijke wezentjes, maar ze waren snel beledigd. Wee de huisvrouw die vergat een schotel melk klaar te zetten. In dat geval heerste er de volgende ochtend in het betreffende huis de grootste wanorde en nooit kwam de kabouter weer terug om op te ruimen.
De kabouter die Parcies moeder hielp, vond echter altijd zijn schaaltje melk en daarvoor deed hij zijn werk uitstekend en in alle stilte, terwijl Parcie en zijn moeder sliepen. Maar hij had een boosaardige oude feeënmoeder en aan haar herinnerde Parcies moeder haar zoon toen ze naar bed ging.

Parcie zat een poosje innig tevreden bij het vuur, heel trots dat hij zijn zin had doorgedreven. Toen het vuur echter kleiner werd, kreeg hij het een beetje koud en dacht hij vol verlangen aan zijn warme bed. Hij wilde juist opstaan, toen er in de schoorsteen een vreselijk lawaai losbarstte en de kabouter verscheen. Parcie was stomverbaasd en de kabouter niet minder, want hij had verwacht dat Parcie allang naar bed zou zijn. Parcie staarde de gedaante met de spillebeentjes een ogenblik aan en zei toen: 'Hoe heet je?'
'Ik ben ik', antwoordde de kabouter met een ondeugend lachje. 'En jij?'
'Ik ben ook ik', zei hij.
Daarop speelden Parcie en de kabouter samen voor het vuur. De kabouter was een buitengewoon levendig kereltje en Parcie maakte vol verbazing mee hoe hij vanaf de kast op de tafel en vandaar op de grond sprong. Toen Parcie in het vuur staarde, sprong er plotseling een stukje gloeiend hout uit dat de kabouter een brandwond aan zijn voet bezorgde. Het wezentje begon zo hard te brullen en te huilen, dat de oude feeënvrouw het hoorde en door de schoorsteen naar beneden riep: 'Wie voor de duivel heeft je pijn gedaan? Wacht maar, ik kom direct naar beneden en dan zal ik de boosdoener wel eens een lesje leren.'
Parcie sprong op, rende naar de zijkamer, kroop in zijn bedstee en trok het beddengoed op tot aan het puntje van zijn neus.
'Ik was het! Ik was het!' krijste de kabouter.
'Waarom schreeuw je dan zo?' antwoordde de oude feeënvrouw. 'Waarom stoor je me met je gejammer om helemaal niets? Ik kan toch niemand ter verantwoording roepen als je het zelf hebt gedaan!'
Een lange, spichtige arm met klauwachtige vingers kwam door de schoorsteen omlaag en pakte de kabouter bij zijn kraag. Weg was hij.

De volgende ochtend zag Parcies moeder dat de schaal met geitenmelk die ze bij de deur had gezet onaangeroerd was en tot haar teleurstelling en ergernis kwam de kabouter nooit meer. Hoewel ze nu haar feeënhulpje had verloren, was ze toch in haar schik, want vanaf die dag hoefde ze Parcie nooit meer tweemaal te zeggen dat hij naar bed moest gaan. Want wie weet, misschien zou die lange, spichtige arm met die griezelvingers hem de volgende keer bij zijn nekvel pakken en door de schoorsteen omhoog trekken.


Liefhebber van kabouterverhalen? Lees dan ook
kabouter Ruitje Lap en De kaboutermannetjes


mythen, legenden en verhalen
home