DE HUZAAR EN DE DOOD (Slowakije)

Een oude huzaar ging met verlof. Vroeger was er nog geen trein en daarom moest hij te voet gaan. Toen hij erg moe geworden was kwam hij in een woud en daar ging hij onder een boom zitten om wat uit te rusten. Hij at een stukje brood, kuch, dat hij nog bij zich had. Plotseling kwam er een oude bedelaar aan. De bedelaar groette hem beleefd en vroeg:
'Geef me toch een stukje brood, ik heb zo'n honger.'
De oude huzaar gaf hem direct een stukje van zijn kuch. Nadat de oude bedelaar dit opgegeten had, vroeg hij aan de huzaar wat hij ervoor wilde hebben. De oude huzaar vroeg hem drie toverzaken: een geweer een viool en een zak. Op hetzelfde ogenblik waren ze er al. En de oude bedelaar was verdwenen. De huzaar nam zijn geweer, zijn viool en de zak en vervolgde zijn weg.
Hij kwam in een naburige stad. Daar wapperden allemaal zwarte vlaggen van de huizen. De huzaar vroeg waarom er zoveel zwarte vlaggen uitgestoken waren en hij kreeg ten antwoord:
'Onze koning voert oorlog met de andere koning en morgenvroeg trekt het hele leger ten strijde.'
De oude huzaar meldde zich aan en zei dat hij ook mee ten strijde wilde trekken. Dankbaar nam men zijn aanbod aan, ze wilden hem een uniform en een geweer geven, maar hij zei dat hij niets nodig had. Zo trok hij, lopend naast het leger, mee, dansend en lachend. Hij had het geweer, de viool en de zak en iets anders had hij niet nodig. Toen de volgende dag vriend en vijand op elkander stortten speelde de oude huzaar op zijn viool. Hij begon langzaam, en de vijandelijke soldaten begonnen te dansen. Toen begon hij vurig te spelen en de soldaten sprongen huizenhoog. De vijanden vroegen hem of hij op wilde houden met spelen, ze waren te moe om nog te dansen. Toen wilde de oude huzaar zijn zak openen, om alle vijanden erin te stoppen en ze daarna met zijn geweer dood te schieten. De vijanden werden doodsbenauwd en smeekten om vrede.
De koning vroeg aan de huzaar wat hij voor beloning wilde hebben voor zijn hulp, hij wilde hem alles geven. Maar de huzaar wenste niets, behalve een woud, waarin hij leven kon als woudloper. De koning schonk hem dankbaar een woud. Niet veel later trouwde de huzaar hij zorgde goed voor zijn bezit.
Op een dag liep hij door het woud. Toen kwam de dood naar hem toe en zei:
'Kom!'
'Waarheen?'
'Kom met mij mee!'
'Ei, laat me toch met rust!'
'Je moet meekomen!'
'Moet ik werkelijk mee? Laat me dan eerst nog een keer op de viool spelen.'
'Dat mag je.'
De huzaar nam zijn viool en begon zo wild te spelen, dat de dood nog hoger sprong dan de toppen van de bomen. Na een poosje smeekte hij: 'Ach, speel toch niet langer op die viool!'
'Je krijgt je zin niet!'
En de huzaar bleef als een razende op zijn viool spelen.
De dood danste zo wild, dat zijn knoken en beenderen klapperden. De huzaar opende de zak en hupsakee! De dood sprong in de zak en de huzaar bond de zak vlug dicht en legde hem daarna in zijn kelder.
Een paar jaar lang stierf er geen enkel mens meer op de aarde, omdat de dood nog steeds in de zak zat. Op een dag ging de huzaar naar de stad om daar wat vertier te zoeken. Zijn vrouw bleef thuis. Ze wilde weten wat er in de zak zat. Ze ging naar de kelder, maakte de zak open, en daar sprong de dood tevoorschijn. Hij liep de oude huzaar tegemoet. De volgende dag vonden ze hem dood in de sneeuw.
Als de vrouw de zak niet opengemaakt zou hebben, zou de dood nog steeds in de zak zitten. Dan zouden er geen mensen meer gestorven zijn. Maar omdat de vrouw van de huzaar de dood uit de zak liet, moet iedereen sterven, of hij nu rijk of arm, koning of bedelaar is.

mythen, legenden en verhalen
home