DE BORG VAN SLOCHTEREN

Over glibberige boomwortels en vochtige bladeren leidden de smalle, zompige paden al dieper in het Slochterbos, waar de bijna manshoge varens bloeien. De brede dreven die eens dit lang verwaarloosde park van de borg van Slochteren doorkruisten, zijn met gras en mos overwoekerd en grotendeels dichtgegroeid. Hier en daar vindt men nog in het struikgewas stenen vazen op hoge voetstukken, scheef weggezakt in de drassige bodem. Ze zijn grauw van ouderdom, door de vorst gespleten en gekerfd, met korstmos overwoekerd, en door knoestige doorntakken omrankt. Een overdaad van onkruid bloeit uit die vazen op, in plaats van de zeldzame en uitgezochte bloemen, die de tuinlieden er vroeger elk jaar plantten. Alleen in het midden van het bos is een open plek, waar het streuvelhout geen vat op heeft en de jonge bomen niet groeien kunnen, omdat daar de zwaarste beuk van het Groningerland wortelt, de 'dikke boom van Slochterbos'.
't Moet eeuwen en eeuwen geleden zijn, dat deze boom daar werd geplant. Vóór die tijd was er nogal eens een meningsverschil over de loop van de grens, want niemand wist precies hoe ver het gebied van Slochteren reikte. Wanneer dienaren van de burchtheer monniken van het klooster van Schildwolde in de venen ontmoetten, trachtten ze vaak daarover een beslissing uit te lokken. Praten baatte niet, dat wisten ze allang en daarom begonnen ze er maar dadelijk op los te slaan met hun turfspaden. Zo gauw de ene partij met bebloede koppen was afgedeinsd, bracht de andere een kenteken aan op de veroverde plek. 's Morgens vroeg was dat teken daar echter niet meer te bekennen, want de verslagenen, die versterking hadden gehaald, waren intussen teruggekeerd en hadden het baken verzet.
Dat kon zo niet jaar in, jaar uit doorgaan.
Op een goede dag reden daarom de abt van Schildwolde en de heer van Slochteren elkaar tegemoet. Waar nu de Titzerdijk loopt, ontmoetten ze elkaar, maar de abt was niet alleen. Onzichtbaar reed de duivel met hem mee.
'Als ik de grens moest bepalen, dan wist ik wel wat ik deed', fluisterde de duivel, 'ik zorgde dat ik al het goede land in handen kreeg en het slechte nog daarenboven.'
De abt had een streepje voor! Hij mocht de grens aanwijzen, want iedereen dacht dat dit aan geen betere handen kon worden toevertrouwd. Maar pas op! Toen de abt goed en wel begonnen was en zich afvroeg of hij al niet aan het einde van het kloosterland gekomen was, begon de duivel opnieuw te fluisteren: 'Ga maar verder, ga maar verder, ik zal wel waarschuwen als je bent waar je wezen moet.' De abt liep maar door. Het goed begaanbare land had hij al achter de rug en nu was hij in de venen, die elke winter onder water stonden, zodat er alleen elzen en gagelstruiken konden groeien tussen de rietpollen en de biezen. Dat land kon niet bebouwd worden, want daarvoor was het veel te drassig. Kuilen en wielen, zo diep dat ze met geen vaarboom gemeten konden worden, lagen er half verborgen in het hoge riet en op sommige plekken die donkerder van tint waren, beefde de weke grond als je erover liep. Desondanks liep de abt verder, want hij hoorde altijd maar de stem van de duivel: 'Nu die strook nog, heer abt! Die reep land kan er nog wel bij! Volhouden maar, je bent op de goede weg!'
Niemand durfde de abt nog volgen in dat moerassige land: waar de laatste elzenstruiken nog vaste grond hadden kunnen vinden om wortel te schieten, waren ze blijven staan, want verderop moest de veenlaag wel vlijmdun zijn. Waar de voeten van de abt bijna slipten in het veenmos, bleef hij ten laatste staan en riep over zijn schouder: 'Burchtheer van Slochteren, hier is de grens. Nu ben ik waar ik wezen moet en ik ga geen stap meer verder.'
Dat was maar al te waar. De grond hield de zwaarte van zijn lichaam niet meer en hij verzonk plotseling in een van de bodemloze kuilen. Zo diep zonk hij weg, dat men hem nooit meer heeft teruggevonden, zelfs niet toen zeventig jaar geleden het moerasland ingepolderd werd.



Niet lang na de dood van de abt had de heer van Slochteren een gast op de borg, een prinses die verdreven was uit een ver land, waarvan niemand de naam meer kent. Elke morgen die God gaf werd de ophaalbrug voor haar neergelaten, want dan reed zij uit, gekleed in zijde en sameet [= fluweel - A.], met een jachtvalk op de gehandschoende hand. Naast haar reed de burchtheer en dan volgden edelen uit de omtrek, valkeniers en rijknechten.
Zo kwamen ze eens door het Slochterbos gereden, toen tuinlieden bezig waren om een bomenrij te planten. Het was een van de laatste dagen dat de prinses nog in het Groningerland kon blijven, want zij moest weer ten oorlog trekken.
'Prinses', zei de burchtheer, 'ge weet dat we u nooit zullen vergeten, maar toch willen we een herinnering aan U bewaren. Neem een spade en plant de laatste beuk in de rij.' Dadelijk sprong de prinses van het paard, gaf haar jachtvogel aan een valkenier en nam de zware spade op. Een van de tuinlieden zocht de mooiste loot voor haar uit en zij wierp de klei op de wortels en stampte de grond aan met haar puntige schoen, die met paarlen was bestikt.
'Ik trek weer ten strijde', zei ze 'en wellicht kom ik niet meer terug. Zo sterven we allen, maar deze boom zal leven zo lang er valken in het bos nestelen. Over vijfhonderd jaar zal hij daar nog staan.'
't Is zo uitgekomen als de prinses het voorspeld heeft.

In die vijf eeuwen is er zoveel gebeurd op Slochteren. Een der freules, Hillebranda Fraeylema, gaf de burcht de naam die deze nog draagt: Fraeylemaborg. Men beweert dat het haar beeld is dat in de schaduw van de Dikke Boom staat; anderen echter die het beter weten, vertellen dat 'de Godin' het laatste van de vele tuinbeelden was, die op hardstenen voetstukken in het eens zo keurig aangelegde park stonden. Hillebranda kijkt strak naar een der brede takken van de beuk, want daaraan heeft haar kleinzoon, de rechter, eens een jongen laten ophangen, die van een kleine diefstal werd verdacht maar die tot op het laatste ogenblik zin onschuld volhield. Wanneer kinderen zingend door het bos trekken, is er altijd een stem te horen, die meezingt als een verre echo, die naderzweeft en weer vervaagt met de wind. Dat is de stem van de jongen, die onschuldig werd veroordeeld.
Onder Hillebranda's nakomelingen waren zonderlinge heren. Een van hen leefde in Parijs, waar hij elke nacht aan de speeltafels te vinden was. Het geld dat hij daarvoor nodig had, verdiende hij overdag op een van de bruggen over de Seine, de Pont Neuf, vermomd als bedelende harpspeler.
Om Slochteren bekommerde hij zich niet. Het park werd een wildernis en de borg zelf verviel al meer en meer. De ranke, hoge uitkijktorens op de hoeken van het voorplein moesten ten slotte worden afgebroken en de voorpoort onderging eenzelfde lot. Alleen de beide schathuizen en de zware slottoren konden behouden blijven.

Bron: Nederlands Sagenboek - Jacques R.W. Sinninghe - 1961

mythen, legenden en verhalen
home