HET VROUWTJE VAN STAVOREN

In vele sagen, volksliederen, spreuken, rijmen en gezegden vervult graan een hoge taak, immers de oogst besliste over honger of welzijn. Wie zich eraan vergrijpt, wordt zwaar gestraft. Dat is dan ook de grondgedachte van het sagenlied 'Het Vrouwtje van Stavoren'.
Hier de lezing door Jaap Kunst op Terschelling opgetekend rond 1915. De Haan (Straatmadelieven, Prisma 1811) noemt het 'een vroege illustratie bij de dodenweg van het kapitalisme', maar het laatste vers zegt zelf: 'en hoogmoed past ons niet'. Dat is wel voldoende om de strekking te vatten. Het gaat erom dat juist koren wordt aangewezen als het kostbaarste wat op aarde te vinden is.




1.
Hoort vrienden, hoort een lied
Dat duid'lijk zal verklaren
Wat eertijds is geschied,
Voor meer dan honderd jaren,
Toen 't oud en grijs Stavoren
Nog bloeid' op Frieslands grond,
En van zijn roem deed horen,
De hele wereld rond.
2.
Daar in die rijke stad,
Die jaarlijks duizend schepen
Belaan met 's werelds schat
De haven in zag slepen,
Daar leefd' in roem en ere
Een rijke weduwvrouw,
Wien 't voorbeeld ons zal leren
Hoe hoogmoed brengt in rouw.
3.
Geen koper, neen, maar goud,
Zo sprak zij, siert mijn woning.
Het huis voor haar gebouwd,
Leek 't woonhuis van een koning.
't Was al wat d'ogen zagen
Vol vorstelijke praal.
Je hoeft niet meer te vragen,
De stoep was van metaal.
4.
De leuning was heel schoon,
Uit louter goud gedreven.
De deurknop scheen een kroon,
Van parelen omgeven.
De brede zilv'ren platen,
Geklonken aan de grond,
Bedekten heel de straten,
Zo ver haar woning stond.
5.
Daar kwam een zeekaptein,
Haar op de haven tegen.
Zij sprak: wat zal het zijn,
Wat schoons hebt gij verkregen?
Wat heerlijks brengt gij mede
Uit 't overzees gebied?
Uw schip ligt op de rede,
Maar God, gij antwoordt niet.
6.
'k Heb immers U belast
Het kost'lijkst in te laden
Wat rondom de Oostzee wast
En 't oog hier kan verzaden.
Wie zich aan prijs mocht storen,
'k Vraag nimmer naar het geld:
De Weduw van Stavoren
Zij niet teleurgesteld.
7.
'k Bracht tarwe naar Uw zin,
't Was 't edelst wat wij vonden.
Aan stuurboord kwam het in
Zoveel wij laden konden.
God! gilt zij, dol van zinnen,
O, tarwe, lage guit.
Kreegt gij ze aan stuurboord binnen?
Werp het aan bakboord uit.
8.
Helaas het edel graan
Werd in de zee geworpen.
Een grijsaard zag het aan
Van een der naaste dorpen.
Beef, sprak hij, beef, o vrouwe,
Misschien lijdt g' eens gebrek.
Dat dit u nooit berouwe
Zwijg, sprak ze, dwaze gek.
9.
Zij gild' en nam een ring
En wierp met groots geschater,
Terwijl zij henen ging,
Hem in 't woelend water.
Kijk, riep zij, dwaze kerel,
Eer geeft de zee weerom,
Deez' kostb'ren ring en parel
Eer ik tot armoe kom.
10.
Het duurde een dag of acht,
Toen werd op haar verlangen
Een grote vis gebracht,
Zo pas uit zee gevangen.
Maar sidd'rend zonk zij neder
Want bij de eerste snee,
Vond zij de ring alweder,
Geworpen in de zee.
11.
Daar treedt een dienstknecht in:
Uw schepen zijn verloren,
De zee zwolg alles in,
Gods wraak rust op Stavoren.
Een and're knecht snelt binnen
En biedt een brief haar aan:
God, gilt ze woest van zinnen,
Mijn glorie is gedaan.
12.
Beroofd van goed en geld,
Veracht van die haar kenden,
Werd ze, als de Aloudheid meldt,
Een prooi van alle ellende.
Nog doet de nazaat horen,
Der hovaardij tot les:
Het Vrouwtje van Stavoren,
Zij stierf als beed'lares.
13.
Nog ziet men aan het strand,
Zo rijk in vroeger dagen,
De haven, gans verzand,
Een bos van halmen dragen.
Maar ijdel zijn die aren,
Geen korrel lacht u aan,
Als blijk van wat voor jaren
Gods Almacht heeft gedaan.
14.
Ja, hoogmoed wordt verneerd,
Is wisse val beschoren.
Het werd ons hier geleerd
Door 't Vrouwtje van Stavoren.
Wilt, vrienden, er aan denken,
Wat ook het lot u biedt,
't Is alles Gods geschenken,
En hoogmoed past ons niet.


Bron: Boerenwijsheid - W. Geldof
ISBN 90-274-1075-5

mythen, legenden en verhalen
home