In de kloosterkeuken
Het beeld van de oude kloosterkeuken is overgoten met een romantisch licht; we zien monniken of nonnen die te midden van welgevulde pasteien, manden fruit en versgebakken brood aan het werk zijn. Er stijgen verrukkelijke etensgeuren ten hemel, die zich vermengen met de vrome gezangen uit de kapel. Op tafel in de eetzaal wachten pullen schuimend abdijbier. De realiteit is harder, soberder en vooral minder aards. Want het leven van de kloosterling is niet gericht op het stoffelijke maar op het hemelse. Van onderlinge gezelligheid aan tafel is geen sprake. Een middeleeuwse tafelinstructie voor kloosterlingen luidt: 'Aan tafel kijkt men niet hier en daar rond, zodat gij niet weet wie aan uw zijde zit en wat uw gebuur doet of voor zich heeft. Denk alleen aan u, aan God en aan uw uitersten.' De maaltijden van de kloosterling zijn als een deel van zijn dagoefeningen (traditioneel zijn er zeven getijden: lauden, priem, terts, sext, noon, vespers, completen; de metten worden 's nachts gebeden) in het uurrooster opgenomen en hebben dus een religieus aspect. In veel kloosters zitten monniken en nonnen naast en niet tegenover elkaar aan tafel. Er wordt weinig of niet gesproken. Het regelmatig getik van lepels op de borden begeleidt de stem van de lezer, die vanaf de katheder uit de Schrift of een ander vroom werk leest. Want, ook aan tafel mag de verbondenheid met God geen moment onderbroken worden. Vroeger was het de klopper die aangaf wanneer het kloostermaal begon of eindigde. Later werd er wel een klok bij de abt gehangen, waarvan een randopschrift voor zichzelf spreekt:
Wanneer ik op gesteld uur klep Breek ik u het sober brood Door de lezing roer ik de harten, Met deernis beklaag ik de armen, En ik luid Gode mijn dank. Wat eten en drinken betreft is er in de kloosters altijd meer geschreven over vasten, verboden en vormen van matigheid, dan over tafelgenot. Een regel van de heilige Benedictus (geboren ca. 480) luidt: 'Voor de dagelijkse maaltijd die plaatsheeft op het zesde of negende uur (...) zullen twee soorten gekookte spijzen opgediend worden, in verband met de mogelijkheid dat sommige monniken zwak zijn. Fruit en frisse groenten vormen een derde gerecht. Een goed gewogen pond brood is genoeg voor de dag. Is de handenarbeid zwaar, dan kan de abt nog wat toevoegen als het aankomt. In alle omstandigheden moet echter de gulzigheid vermeden worden. Niets is zozeer in strijd als dat, met het begrip van een goed dienaar van Christus.' Benedictus wist waarover hij schreef; hij had als zoon van welgestelde ouders in Rome gestudeerd en koos uit afkeer van het losbandig studentenleven met zijn copieuze maaltijden, voor een ascetisch bestaan. Met het drinken van wijn raadde hij zijn volgelingen aan voorzichtig te zijn: '... in het gebruik daarvan heeft iedereen een bijzondere gave Gods: hij die abstinent wil leven, wete dat hij een bijzonder loon zal ontvangen.'
*
* De kat die * historisch * Nanny Ogg * streekgerechten * paddestoelen *
|