DE GOD VAN DE ARMOE Aan de rand van de stad Osaka leefde de voddenraper Gohej. Zijn vervallen hutje, waarin 's winters door alle kieren de ijzige wind blies, en een hoop vodden, vormden zijn enige bezit. Hij had het in zijn leven nooit tot iets kunnen brengen. Wat hij ook had ondernomen, het was mislukt. Misschien omdat hij zo langzaam was en een bange natuur had. Misschien ook omdat anderen door zijn goedgelovigheid zo gemakkelijk een loopje met hem namen. Een aardige vrouw had hij ook niet gevonden. Wie wil iemand die arm is en daarbij zo'n pechvogel tot man? Het liep tegen oudjaar. Gohej ging het zo slecht, dat hij zelfs geen lompen meer had. Er was niets te eten en zelfs geen hout om de hut een beetje te verwarmen. Buiten woei een ijskoude wind en het kon ieder ogenblik gaan sneeuwen. Nee, een 'vrolijk nieuwjaar' zou het niet worden. Op een feestmaal had hij natuurlijk niet gerekend, maar nu hij behalve kou ook nog honger moest lijden … Ineens kreeg hij een idee. Hij zou de planken uit zijn vloer kunnen losbreken en dan verbranden! De gedachte aan een flakkerend vuurtje gaf hem weer moed. Vlug ging hij aan het werk. Veel moeite kostte het niet, want de hut was zo bouwvallig dat ze bijna in elkaar viel. Nauwelijks had hij de eerste plank eruit getrokken en wilde hij aan de tweede beginnen, of hij bleef stom van verbazing in het lege gat staren. Hij wreef in zijn ogen. Droomde hij of was dit écht? Waar eerst de plank gelegen had verscheen nu een grijze haardos en even daarna kroop het hele mannetje tevoorschijn. Het was zo klein, dat zijn kruin niet hoger kwam dan Gohej's gordel! Het grijze haar en een grijze baard omringden een asgrauw gezicht. Het mannetje was gehuld in smerige lompen, een paar afgedragen sandalen bungelden aan zijn voeten en over zijn schouder hing een vuile, gescheurde zak. Gohej staarde hem met open mond aan en kon geen woord uitbrengen. Doch toen klonk de rustige stem van het mannetje: 'Wat vreemd dat jij mij niet kent! Ik woon al zo lang onder de vloer en heb altijd het gevoel gehad dat ik bij je hoor. Ik ben de god van de armoe en het is me bij jou best bevallen. Maar in de laatste tijd gaat het je zó slecht, dat het ook voor mij bijna te erg wordt. En als je nu ook nog mijn woning uit elkaar haalt, ga ik maar liever een ander onderdak zoeken. Het is toch bijna Nieuwjaar. Net het goeie moment voor zoiets. Ik hoop dat je het mij niet kwalijk neemt dat ik je ga verlaten. Kom, zullen wij tot afscheid samen klinken?' Gohej keek het mannetje verlegen aan en zei: 'Vergeef me, edele god, het spijt me dat ik zo onhoffelijk moet zijn, maar ik kan onmogelijk met U klinken. Er is geen druppel rijstwijn in huis en ook niets anders dat ik U kan aanbieden.' En plotseling liepen hem van louter ellende de tranen over de wangen. De god knikte medelijdend en rommelde wat in zijn zak. 'Ben je zó arm, dat je zelfs voor het nieuwjaarsfeest geen druppel wijn in huis hebt? Dat had ik niet gedacht', zei hij. Toen trok hij een ketting van koperen muntjes uit de zak en gaf die aan Gohej. 'Kom, ga maar vlug naar de stad en haal een fles wijn, een zakje rijst en wat houtskool.' Gohej was heel gauw weer terug. Hij had zelfs een stukje nieuwjaarsvis kunnen kopen en zo genoten ze samen van een heerlijk maal. Daarna schonken zij elkaar het glas vol en dachten terug aan het jaar dat voorbij was. De voddenraper had in tijden niet zo'n gezellige oudejaarsavond gevierd. Toen de fles leeg was sprak de goed van de armoe: 'Jij bent een goed en vriendelijk mens. Ik heb een echt feestelijke avond bij je gehad. Daarom wil ik graag wat voor je doen. Jij schijnt met de armoe niet zo best overweg te kunnen en ik zal zorgen dat het je beter gaat. Luister nu eens goed: wacht als het middernacht is en het nieuwe jaar begint, vóór de tempel van de vier hemelkoningen. Bij de eerste slag van de nieuwjaarsklok rijden drie ruiters voorbij de tempel. De eerste is geel, de tweede wit en de derde zwart. Alle drie kijken ze streng uit hun ogen en zien er nogal nijdig. Uit. Maar daar hoef jij je niets van aan te trekken. Ga moedig naar de eerste toe, pak de teugels en houd die stevig vast. Lukt het niét, probeer dan de tweede of de derde te vangen. Niét loslaten, hoor! De rest zul je wel zien. Die moedige daad zal je nooit berouwen en tot aan het eind van je leven zul je geen gebrek meer lijden.' Na deze woorden nam de god van de armoe afscheid en verdween snel. Zo snel, dat Gohej hem niet eens bedanken kon. De voddenraper ging dadelijk op weg om vóór middernacht bij de tempel te zijn. Deze stond midden in de stad. Het begon te sneeuwen en toen Gohej bij de tempel aankwam, stond hij in een witte wereld. De maan schoof achter de wolken vandaan en bescheen de lege voorhof waar Gohej stond te beven van kou en inspanning. Stampvoetend en mopperend kon hij nauwelijks het middernachtelijk uur afwachten. Eindelijk klonk de eerste klokkengalm die het nieuwe jaar inluidde. Op hetzelfde ogenblik hoorde Gohej het getrappel van paarden en drie ruiters doemden op uit de duisternis. De eerste bereed een gele hengst en droeg een gouden helm, een gele zijden jas en in zijn gordel een lang zwaard in een gele schede. De tweede reed op een prachtige schimmel. Zijn kleding schitterde in het maanlicht nog witter dan de versgevallen sneeuw! De laatste ruiter was duister als de nacht. Hij reed op een moor, was geheel in het zwart gekleed en zelfs zijn baard was zwart! Het was een huiveringwekkend tafereel en Gohej keek star toe en stond als vastgenageld op zijn plaats. Daar was de gele ruiter al vlak bij hem en dan volgde de witte … Toen verzamelde Gohej al zijn moed, keek niet naar de ruiter, maar alléén naar het paard en strekte zijn hand naar de teugels. Maar de schimmel hinnikte en brieste zo woest, dat Gohej van schrik zijn hand weer liet vallen. Nu was ook de witte ridder al voorbij. Radeloos, omdat ook deze poging weer zou mislukken, sprong hij vóór de moor en greep naar de teugels. Doch het paard steigerde, rukte zich los en verdween snel in de duisternis. Moedeloos leunde Gohej tegen de tempelmuur. Tot zijn dood zou hij armoe lijden en had daarenboven de god van de armoe, die hem wilde helpen, teleurgesteld! Maar hoor, wéér hoefslagen! Een vierde ruiter naderde. Had hij gedroomd, of zich misschien verrekend? Kwamen nu pas de echte ruiters? Moedig sprong hij naar voren en greep de teugels stevig vast. Ditmaal stribbelde het dier niet tegen en toen Gohej omhoog keek zag hij, op de grauwe schimmel, niemand anders dan de god van de armoe! 'Gohej, het is met jou toch werkelijk een kruis', sprak deze. 'Ik heb je nog zo gezegd één van die drie ruiters vast te houden. Zij zijn de goden van het geld. De eerste is de god van de goudstukken, de tweede van de zilveren munten en de derde, die zwarte, van het kopergeld. Had je de eerste overwonnen, dan zou je tot je dood schatrijk geweest zijn. Maar met zilver of koper was je ook niet slecht af geweest. Jij hebt echter alles bedorven en alleen mij, de god van de armoe, vastgehouden.' Peinzend keek hij van de armoedige voddenraper naar de donkere tempelmuren. Toen zei hij ineens: 'Maar nu ik besloten heb van je weg te gaan, wil ik toch proberen je te helpen. Luister: vandaag, om middernacht, rijden weer vier ruiters dezelfde weg terug. Probeer nog eenmaal je krachten en let beter op! Kom, laat mij nu los.' Gohej gehoorzaamde en op hetzelfde ogenblik waren de god en zijn paard verdwenen. Het verwijt van de god had Gohej veel pijn gedaan. Maar nog was niet alles verloren. De gehele nieuwjaarsdag peinsde hij over de ruiters en nam zich heilig voor dit keer het gele paard te pakken en in geen geval te laten ontsnappen. Die avond begaf hij zich weer naar de tempel der vier hemelkoningen. De sneeuw was gesmolten en smerige modder bedekte de aarde. Maar de kou was even streng en Gohej, die lang voor middernacht ongeduldig bij de tempel liep te wachten, was bijna bevroren toen eindelijk de maan tussen de wolken door scheen en de klok begon te slaan. Daar kwamen ook de ruiters aan. Zonder aarzelen ging Gohej wijdbeens op de weg staan en wachtte zo het eerste paard op. Doch dit steigerde hoog en sprong over hem heen! 'Nu moet ik het zilveren vasthouden!' zuchtte Gohej wanhopig en moedig greep hij naar de teugel. Ineens begon het dier te galopperen en ook de zilveren teugel schoot uit zijn hand. Met betraande ogen en bonzend hart stond de voddenraper op de weg en snel naderde nu de moor met de god van het kopergeld. Met de moed der wanhoop greep Gohej naar de teugels van het zwarte paard, sloot zijn ogen en blééf hangen, hoezeer het dier ook brieste en steigerde. Toen het eindelijk geen weerstand meer bood en Gohej zijn ogen opende, waren paard en ruiter verdwenen en hield hij een enorme zak vast, een zak vol koperen munten! En daar kwam ook de grauwe schimmel tevoorschijn. De god van de armoe gaf Gohej een stralende glimlach. Voordat de voddenraper zelfs maar een buiging kon maken, was hij de drie goden van het geld al gevolgd. Zielsgelukkig ging Gohej naar huis. Hij was dan wel niet schatrijk, maar hij zou nooit meer zonder kopergeld zijn. Hij knapte zijn hut op, dronk rijstwijn bij zijn visje en nu hij niet meer zo verschrikkelijk arm was, vond hij zelfs een lieve vrouw. Zo werd de voddenraper toch nog een gelukkig mens. uit: Het hele jaar rond … van Sinterklaas tot Sintemaarten
|