ASFALTKERSTMIS

door
An Rutgers van der Loeff


Er waren eens een nachtwaker en een serveerster. Ze zijn nu oud en hun drie kinderen volwassen. Maar om die drie kinderen gaat het.
Toen hun vader en moeder nog nachtwaker en serveerster waren, zagen zij elkaar niet veel. Want de nachtwaker had 's avonds en 's nachts dienst en de serveerster moest 's middags en 's avonds werken. Dat was natuurlijk jammer, maar de hele familie nam het nogal van de vrolijke kant op. Sommige mensen zeiden: het is schandelijk, zo luchthartig als die lui zijn!
Maar goed, 's ochtends, als de kinderen naar school waren, dronken de nachtwaker en de serveerster samen sinaasappelsap en zij aten cornflakes met melk erover. Ze zetten koffie en bakten eieren en worstjes voor elkaar, kortom, die twee maakten het elkaar en zichzelf zo gezellig mogelijk. Soms zeiden ze tegen elkaar: ''t Is toch maar jammer dat we de kinderen zo weinig zien.'
Ja, dat was inderdaad jammer, want het waren enorm leuke kinderen. Ze heetten Petey, Missy en Sam en ze waren - toen dit verhaal gebeurde - elf, negen en acht jaar oud. Tamelijk klein van stuk, net als hun vader en moeder, en erg levendig, óók net als zij.
's Morgens, wanneer de ouders nog sliepen, konden zij prima voor zichzelf zorgen. Ze dronken óók sinaasappelsap en goten ook melk op een bord met maïsvlokken. En Petey, de oudste, las de krant. Dan vertelde hij waar er dieven waren geweest en waar brand was uitgebroken. En wat voor verkeersongelukken er waren gebeurd en hoe een leeuw was ontsnapt uit een circus ergens ver weg, terwijl Missy en Sam de bordjes en bekers omspoelden.
Dan gingen ze samen naar school. Ze floten en slingerden hun boeken aan een elastiekje in het rond. Gewoonlijk riepen de andere kinderen: 'Ha, die Petey!' of 'Ha, die Missy!' en 'Ha, die Sam, wat hebben jullie vandaag weer te vertellen?' Want zo was het, ze waren niet alleen altijd geweldig opgewekt, maar zij beleefden ook steeds een hele massa. En denk nu niet dat het zo gemakkelijk is om een heleboel te beleven, zélfs al woon je in New York. Er zijn daar net zo goed mensen en kinderen die met bijna dichte ogen en oren rondlopen en zo goed als niets merken van alle mooie of gekke of verdrietige dingen die altijd overal gebeuren. Hier net zo goed als daar.
Nu weten jullie meteen dat ze in New York woonden, in een flatje in een hoog huizenblok, ver boven het asfalt. Maar er was geen lift zoals in de dure huizen en er was wel een koelkast, maar die was defect en de w.c. moesten zij met een andere familie delen! Hij trok trouwens niet goed door en de huisbaas liet nooit wat repareren, want de huur was te laag, zei hij.
Maar de vader en moeder van Petey, Missy en Sam vonden de huur hoog en ze moesten er hard voor werken.
'Zo zie je, wat de een hoog vindt, vindt de ander laag', zei de nachtwaker, en dan lachte hij maar weer. Want iets anders kon hij er ook niet aan doen.
Soms speelde Petey dat hij monteur was: hij maakte een koelkast in orde en zei dan: 'Mevrouw, zet u er maar wat koude kip in voor uw kinderen. Dat vinden ze vast lekker!' Het gekke was dat er 's avonds dan werkelijk kip in stond. In het restaurant waar hun moeder werkte, schoot er gelukkig weleens wat over …

Zo, nu weten jullie hoe de familie Jefferis (met twee ff's) leefde en kan ik gaan vertellen hoe de kinderen kerstmis hebben gevierd, in het jaar dat Petey twaalf was geworden. Want kerstmis vieren moesten zij óók alleen doen. De nachtwaker en de serveerster hadden het in die dagen juist verbazend druk. De nachtwaker verhuurde zich voor de middagen als kerstman in het restaurant, waar mevrouw Jefferis werkte. En zij moest als serveerster zoveel extra uren maken in die dagen dat zij, als ze eindelijk thuiskwam, bijna dubbelklapte van moeheid en meteen naar bed ging. Maar als alles goed ging kon elk kind van de extra verdiensten nieuwe rubberlaarzen en een warm jack krijgen. En misschien, wie weet - als het er op overschoot - zouden ze allemaal samen op een vrije avond naar de ijsrevue gaan!
'Dat is geen kerstmis vieren, dat weet ik wel', zei meneer Jefferis op de eerste kerstmiddag, 'maar de eskimokinderen hebben óók geen kerstboom, moet je maar denken. En in het kinderziekenhuis, drie straten verderop, hebben ze wel een prachtige kerstboom, maar daar liggen ze met gebroken benen en blindedarmontstekingen. Trouwens, als je eens denkt aan al de mensen die met kerstmis poeslief bij elkaar zitten, maar de rest van het jaar zure gezichten trekken, dan weet ik wel wat me liever is. Nee jongens, en jij ook Missy, jullie zijn in alle opzichten beter af, begrepen?'
De kinderen knikten. Zij dachten er wel het hunne van, maar tenslotte kun je het ook best bekijken zoals vader het bekeek. Petey deed er zelfs nog een schepje bovenop: 'Als we in een rolstoel zaten, zou de mooiste kerstboom ons niet gelukkig maken!'
'Ja, of als we in de gevangenis zaten of in een weeshuis - hadden we óók kerstbomen maar míj niet gezien!' verklaarde Sam met klem.
'Ja, of als we doof waren en een zwarte bril droegen zoals die arme Trixie van de overkant, dan konden we niks horen en zien en wat heb je dán aan een kerstboom?' zei Missy.
'Ja, of als jullie een slecht geweten hadden', zei mevrouw Jefferis. 'Met een slecht geweten is het akelig kerstmis vieren, hoor!' Maar zij begon meteen te giechelen, omdat zij probeerde zo ernstig te doen en dat klonk nogal gek. Zij kneep Missy in haar arm en zei: 'Ik zal iets lekkers voor jullie in de koelkast zetten en ga dan maar naar de lichten kijken en naar de mooie kerstbomen op straat. En in het warenhuis van Spender, daar hebben ze een etalage met een schitterende kinderpartij. Met een gedekte tafel en allerlei versieringen en een kalkoen van karton. Maar voor jullie zal ik wel zorgen dat er een stukje échte kalkoen ligt, de baas is nogal royaal met kerstmis. Nou dag!' En zij tripte weg op haar zwarte schoentjes en met het serveerschortje in haar tas. Mijnheer Jefferis ging meteen met haar mee. En de kinderen bleven alleen achter.
Eerst zeiden ze een tijdje niets, tegen hun gewoonte in. Toen zei Sammy: 'Pffff, een kalkoen van karton!' Toen zeiden ze weer niets. Eindelijk zei Petey: 'We moeten gaan bedenken wat we zullen doen. We moeten iets piekfijns bedenken. Het is niet voor niets kerstmis - ook voor ons.' En toen zaten ze een hele tijd met hun ellebogen op hun knieën en hun hoofd in hun handen …

Die avond zag een stevige, nogal strenge politieagent dat er drie kinderen kwamen draven om de hoek van het blok waar hij dienst had. Ze waren zwaar beladen. De oudste - een jongen van een jaar of tien, om zo te zien - zeulde met een oude linnen ligstoel in de ene hand en een sinaasappelkrat in de andere. Een klein meisje, dat haar best deed hem bij te houden, torste een zeepkist voor haar buik, terwijl ze een stapel kussens en een geheimzinnig pakje tussen de kist en haar kin geklemd hield. Achter haar kwam een jongen van een jaar of zes, die met veel lawaai drie andere vruchtenkratten aan een touw achter zich aan trok. Aan een gordijnkoord om zijn hals hingen twee flessen en bovendien speelde hij het klaar onder een van zijn armen nog een slordig opgevouwen deken te klemmen.
Drie kinderen, die zich met zulke zonderlinge vrachtjes voorthaastten, kwamen de agent verdacht voor. Hij volgde hen. De kinderen liepen nog anderhalf blok verder. Zij keken niet op of om naar de feestelijke kerstuitstallingen in de winkels. Ze zeulden maar verder … tot ze op de hoek van Park Lane en de 141e straat waren gekomen.
Daar stond een grote kerstboom te branden, van onder tot boven vol rode, groene en oranje elektrische peertjes. Even de hoek om waren de brede winkelramen van een radio-televisiezaak. Hijgend zetten de kinderen daar hun vrachtje neer, intussen twee andere schooiertjes luid begroetend. Het waren een jongen en een meisje en de jongen zei: 'Ik dacht dat jullie ons voor de gek hadden gehouden!'
Een vernietigende blik van Petey was het antwoord. En Sammy zei: 'Pffff, als wíj zeggen dat we een feest geven, dan geven we een feest!'
De kinderen zetten de stoel en de vruchtenkratten op een rijtje op het trottoir, legden er de kussens op en geboden de gasten te gaan zitten.
'En nou houden jullie je gedekt tot wij terugkomen, want we hebben nog niet alles wat we nodig hebben. En pas op dat er niks gejat wordt!' En weg renden ze weer.
De agent stond op de hoek. Hij begon te begrijpen wat er ging gebeuren. En hij keek ernstig, want het is verboden de publieke weg te versperren. Met zijn handen in zijn zijden bleef hij staan en zijn gezicht werd strenger en strenger naarmate hij zich vaster voornam zijn plicht te zullen doen.
Als die apen terugkwamen, dan zou hij ze eens even duidelijk maken dat dit niet te pas kwam. Zulke rekels deden tegenwoordig maar waar ze zin in hadden. Stel je voor dat híj dat vroeger had gewaagd. Netjes thuisblijven bij vader en moeder, dát had hij gedaan. Maar deze kleine boeven …
Er kwamen nog drie kinderen bij. Wantrouwig keken ze naar de twee die op de kisten zaten. Wantrouwig keken die terug. Eindelijk gromde de grootste van de drie nieuwen, een lange slungel met een gekrompen linnen broek aan bretels, met een rode neus van de kou: 'Hei, kennen jullie een zekere Petey?'
'Wij zijn door hem uitgenodigd', antwoordde het kleine meisje tamelijk snibbig.
'Loop rond', zei de jongen, 'wij ook'. En toen lachte hij met twee duidelijk gebroken tanden en haalde iets uit zijn zak. 'Kijk 's, vuurwerk!'
'Ga zitten', zei de andere jongen, 'ze komen zo dadelijk.'
'We mogen gaan zitten voor meneer', zei de slungel, maar zijn grijns was zo breed, dat het ijs meteen gebroken was.
Op dit moment kwamen Petey, Missy en Sam weer aanhollen. Hun zakken puilden aan alle kanten uit. Ze droegen elk een deken en tussen Petey en Sam, die haar meesleurden, dribbelde zo snel als zij kon een negermeisje van misschien drie jaar. Zij droeg stijve korte vlechtjes en haar ogen en tanden glinsterden in haar ernstige, koffiebruine gezichtje.
'Dat was een race op leven en dood!' gilde Petey, 'maar we zijn nog op tijd. Hoera, luitjes!'
En hij duwde het kleine kind in de ligstoel, stopte een deken om haar heen, smeet aan de anderen dekens toe opdat zij zich ook warm konden instoppen en begon zijn zakken leeg te halen. Sam en Missy deden hetzelfde.
'Vrolijk kerstfeest!' riepen ze. En ieder kreeg van hen een homp leverworst, twee zuurtjes op een stokje en een taaie kokoskoek. 'Kan je lang mee doen', zei Missy. 'Straks krijgen jullie iets te drinken.'
Ze waren nog niet klaar of ze ploften zelf ademloos neer, trokken een stuk deken over hun knieën en keken. Ze waren geen ogenblik te vroeg, want precies op dit moment draaide de eigenaar van de radiozaak zijn televisietoestel in de etalage aan.

De politieagent op de hoek liet zijn handen langs zijn zijden afglijen. Hij keek eens omhoog naar de brandende kerstboom die op enkele meters afstand van hem stond en een kleurig schijnsel deed vallen op de mensen die zich voorbijhaastten - en de kinderen die luid zuchtend van genoegen naar de voorstelling keken. Misschien, dacht hij, hebben deze kinderen geen huis waar ze kerstmis kunnen vieren? Misschien moet ik vanavond maar een oogje dichtknijpen? Misschien …
En terwijl hij zo stond te peinzen, wreef hij langs zijn neus en deed langzaam een paar stappen achterui, zodat hij om de hoek verdween. Toen draaide hij zich om en liep veel harder dan een dienstdoende agent pleegt te doen, naar het volgende blok, waar in een houten huisje op wielen een man en een vrouw in hete olie bollen bakten.
'Tien stuks', zei hij, 'met veel suiker!' Hij zei het heel bars, want een agent mag in diensturen geen warme bollen kopen.
Hij liep terug en keek al van ver naar de brandende kerstboom en even later wierp hij Missy een grote warme zak in haar schoot. 'Een goeie kerstmis!' zei hij nors. En dat was de eerste keer dat de kinderen een politieagent zagen blozen van verlegenheid. Maar misschien léék het ook alleen maar zo, door al dat rode licht in de kerstboom.


uit: Het hele jaar rond … van Sinterklaas tot Sintemaarten


feestdagen | driekoningen | jaarwisseling | kerst (verhalen) | verhalen-index www.annabee.net | home