Kerstkransjes


    Voor het deeg:
  • 250 gram bloem
  • 125 gram witte basterdsuiker
  • mespunt zout
  • 1 theelepel geraspte citroenschil
  • 180 gram harde boter of margarine
    Voor de garnering:
  • 1 ei
  • 1 eetlepel water
  • 50 gram geschaafde amandelen
    Verder:
  • bakpapier
  • bloem voor het uitrollen
  • (gekarteld) rond uitsteekvormpje


Maak op het werkvlak een bergje van de bloem met de basterdsuiker, het zout en de citroenrasp. Verdeel de harde boter in stukjes en leg die rondom het bergje.
Snijd de boter met een groot mes door het bloemmengsel en kneed dan vlug met een koele hand een soepel deeg.
Verpak het deeg in plastic folie en leg het minimaal een uur in de koelkast.
Verwarm de oven voor op 175 graden.
Leg een vel bakpapier op de bakplaat.
Rol het deeg op het met bloem bestoven werkblad uit, zodat het overal ongeveer een halve centimeter dik is. Steek met de uitsteekvorm rondjes uit het deeg en steek met een appelboor een rondje uit het midden (dat laatste hoeft niet per se, koekjes zonder gat zijn ook lekker, maar dan zijn het eigenlijk geen kransjes; en natuurlijk kun je ook andere vormpjes gebruiken, zoals een ster of een kerstboom). De uitgestoken kransjes op het bakpapier op de bakplaat leggen. De restanten van het deeg bij elkaar kneden en weer uitrollen, dan kun je er vast nog wel een paar kransjes uitsteken.
Het ei loskloppen met het water en de kransjes ermee bestrijken. Meteen bestrooien met de geschaafde amandelen.
De kransjes in het midden van de voorverwarmde oven in 20 minuten gaar en goudbruin bakken. Af laten koelen op een rooster.



feestdagen | jaarwisseling | kerst-index | home