Maak van de bloem, eieren, melk, stroop en anijszaad een stevige deegbal. Verdeel hem in tweeën en rol hem uit tot lappen ter grootte van een koekenpan. Leg in de koekenpan eerst een laag van plakjes spek en schijfjes metworst, daarop een lap deeg, daarop schijfjes metworst, vervolgens weer een lap deeg en tenslotte weer een laag spek- en worstschijfjes. De koek is ongeveer 4 cm dik en wordt langzaam gebakken tot het deeg gaar is. Giet het overtollige vet af (men zei vroeger dat het vuur door het uitstromende vet werd onderhouden) en verdeel de koek over de borden.