home
artikelen-index

-------------------------

De geschiedenis van de aardappel


Verhalen
Over de avontuurlijke geschiedenis van de aardappel doen vele verhalen de ronde. Er waren hongersnoden, oorlogen en bevelen van hogerhand voor nodig om de aardappel de plaats te laten veroveren die hij tegenwoordig in de hele wereld bezit.

De Inca's in Peru hadden de wilde voorloper van onze aardappel ontdekt op de hooggelegen hellingen van het Andesgebergte, waar mais en graan vanwege de kou niet konden groeien. Ze hadden zelfs een manier gevonden om ze te 'vriesdrogen' zodat er het hele jaar voldoende voedsel zou zijn. Voor de Inca's was de papa veel meer dan alleen een onmisbaar voedingsmiddel. Er waren aardappelgoden, aan wie soms mensenoffers gebracht werden om een goede oogst af te smeken. De medicinale eigenschappen van de aardappel werden gebruikt om zieken mee te genezen, en zelfs de toekomst werd uit aardappelen voorspeld.
Zouden de Inca's daaruit hebben kunnen lezen wat er voor de aardappel in het verschiet lag?

Solanum tuberosum
Het was al snel duidelijk dat de aardappel, botanisch gezien, thuishoorde in de familie van de Nachtschade-achtigen. Deze groep planten herbergt nogal wat giftige soorten, waardoor de aardappel met groot wantrouwen werd bekeken.
Voor de voedingswaarde van de knollen was in het begin nauwelijks belangstelling, maar voor de geneeskrachtige werking des te meer, en toen de aardappel ook nog liefdesverhogende eigenschappen werden toegedacht, kon de pieper niet meer stuk. Het waren vooral plantkundigen die uit nieuwsgierigheid met de aardappel aan de gang gingen. Zo kwam de knol als botanische nieuwigheid vanuit Spanje naar Frankrijk, Duitsland en Nederland. Hij had inmiddels een officiele naam gekregen: Solanum tuberosum.
In Engeland, en later ook in Frankrijk, Italie, Rusland en Duitsland was hij al in de zeventiende eeuw een delicatesse die alleen bij de allerrijksten op tafel kwam.

Slecht voedsel?
Toch zou het nog heel wat jaren duren voor de aardappel zijn weg vond naar de tafel van de gewone man. Die had bitter weinig vertrouwen in voedsel dat afkomstig was van een griezelige indianenstam in de bergen van Zuid-Amerika; een voedingsmiddel dat nog onder de grond groeide ook. En was het mogelijk dat een plant waarvan de blaadjes en besjes een geit konden doden, voor een mens eetbaar kon zijn? Aardappelen werden er zelfs van verdacht melaatsheid en syfilis te veroorzaken.
Alles bij elkaar genomen had men dus genoeg redenen om ze niet te willen eten.
In Schotland pluisden de kerkgeleerden de bijbel erop na, en toen de aardappel daar niet in bleek voor te komen, werd de knol als 'onheilig' in de ban gedaan. In Duitsland werd de aardappel lange tijd gezien als het laagst denkbare voer: het werd daar alleen geschikt bevonden voor vee en gevangenen.

Antoine Augustin Parmentier
Het was Antoine Augustine Parmentier, een apotheker, die er uiteindelijk in slaagde de doorbraak van de aardappel te bewerkstelligen.
Parmentier diende tijdens de Zevenjarige oorlog - aan het eind van de achttiende eeuw - als soldaat in het Franse leger en zat drie jaar lang krijgsgevangen in Duitsland. In de gevangenis kreeg hij voornamelijk aardappelen te eten. Na zijn vrijlating bleek hij in uitstekende conditie te zijn en dat was voor hem het bewijs dat de aardappel een heel wat betere plaats verdiende dan tot dan toe algemeen werd aangenomen. Maar hoe moest hij zijn landgenoten daarvan zien te overtuigen?
Parmentier begon grote banketten te organiseren en nodigde illustere gasten uit om kennis te maken met de aardappel, die hij in meer dan twintig verschillende gerechten de revue liet passeren. Dat trok de aandacht van koning Lodewijk XVI. Parmentier werd aan het hof uitgenodigd en bracht een bosje aardappelbloesem mee. De koning was zo gecharmeerd van de kleine bloemetjes dat hij een takje in zijn knoopsgat stak. Marie-Antoinette versierde haar kapsel ermee, waarmee een nieuwe mode was geboren, want de hele aristocratie volgde het koninklijk voorbeeld.
Maar daarmee had Parmentier zijn doel nog niet bereikt. De manier waarop hij daar in slaagde, is een aardige anekdote om te vertellen:
Parmentier kreeg van Lodewijk XVI een stukje grond om te experimenteren met de teelt van aardappelen. Overdag werd het pootveld goed bewaakt, maar 's nachts liet hij het doelbewust onbeheerd. Hij rekende op de nieuwsgierigheid van de omwonende bevolking. En inderdaad: zodra de bewakers weg waren, zagen de mensen hun kans schoon het veldje leeg te roven. Iets wat zo belangrijk was, moest immers wel de moeite van het stelen waard zijn! Toen Parmentier in 1813 overleed, was de aardappel ook in Frankrijk in alle lagen van de bevolking doorgedrongen.

De cirkel is rond
Een van de redenen dat aardappelen uiteindelijk zo'n succes zijn geworden, is het feit dat ze zich gemakkelijk laten verbouwen, zeker in streken met een gematigd, niet te droog klimaat. In Ierland was de aardappel al in de zestiende eeuw geintroduceerd door Sir Walter Raleigh, die de knollen had meegebracht van een ontdekkingsreis naar Amerika. Het werd er het nationale voedsel, wat tot op de dag van vandaag terug te vinden is in een keur aan recepten.

De beruchte aardappelziekte, die tussen 1845 en 1851 in heel Europa de aardappeloogsten verwoestte, veroorzaakte grote hongersnood en kostte alleen al in Ierland aan meer dan een miljoen mensen het leven. Ieren die het zich konden veroorloven namen de wijk naar Amerika, waar ze hun nationale lekkernij op grote schaal gingen verbouwen. En zo kwam de aardappel, na een omzwerving van enige eeuwen, weer terug op z'n honk.

Bron: Versier eens een aardappel