Geen twee frietkoten (geen typefout, die ene t, zo hoort het) zien er helemaal hetzelfde uit. Niettemin blijven ze als frietkot uitermate herkenbaar - vergissing is uitgesloten. Soms zijn het doorbrave Vlaams-katholieke huisjes, dan weer dromerig-sensuele en nostalgieke palazzo's, of baldadige, kampementachtige structuren met bijgebouwen en fortificaties.
Het frietkot is de spiegel van het Belgische volk. Doet het eigenlijk iets ter zake, of het vierkant of rechthoekig is, plomp of gestroomlijnd, proletarisch of burgerlijk? Hoe divers ook, men kan vijf types onderscheiden: de barak, de caravan of bus, de frituurwagen, de chalet en de frietannex.
Het baraktype
Het baraktype is geheel door zijn uitbater geconcipieerd en op een droge zaterdagmiddag met de hulp van zijn schoonbroer ineengetimmerd. Het ontstaat als een wat onzekere gooi naar geldelijk gewin, als een driest avontuur dat zonder veel overleg of investering wordt aangegaan. De bouwmaterialen zijn goedkoop en min of meer toevallig bijeengebracht: met wat triplex, golfplaat, formica, unalit en enkele verroeste verfpotten uit het tuinschuurtje gaat hij aan de slag. De frietbarak die daar het resultaat van is, ziet er weinig solide uit. Ze heeft een uitgesproken voorlopig cachet en vormt een schoolvoorbeeld van niet-euclidische architectuur. De meest gammele exemplaren overleven doorgaans de winter niet; de andere moeten gedurig worden opgelapt en aangepast, waardoor ze er alsmaar sprookjesachtiger gaan uitzien, terwijl het sukkelachtige uitgangspunt niettemin onverholen zichtbaar blijft.
Het caravan- of bustype De schaars bemiddelde frietkotbeginner kan ook gebruik maken van een reeds bestaande structuur: een oude caravan, een afgedankte bestelwagen, het wrak van een autobus of als het moet zelfs een neergestort vliegtuig. Die worden waar dat nodig is enigszins aangepast: een schouw op het dak, een windscherm en een afdakje van golfplaat. De caravan of bus wordt net als het baraktype vooral aangetroffen in wegkwijnende industriegebieden en sterk geproletariseerde vakantieoorden. Ze zijn meestal naamloos en roepen met hun onwezenlijke uitzicht en technische onbeholpenheid het visioen op van een onbekommerd vooroorlogs bestaan, toen er voor simpele problemen nog simpele oplossingen bestonden. Men kan ze nog steeds aantreffen, al is hun aantal lelijk teruggelopen doordat ze het voor de hand liggende mikpunt werden van allerlei overheidsinstanties, die deze al te zeer in het oog springende uitingen van de frietkotmentaliteit liever zagen verdwijnen. Maar ook de tand des tijds speelt mee, in de gedaante van memel, roest en schimmel, en vroeg of laat komt voor de frietkotbaas het moment van kiezen of delen: opdoeken of vervangen door een meer doelmatige constructie.
De exemplaren die vandaag nog overblijven zijn ware zelfkantfrituren. Ze ademen een sfeer van doffe onverschilligheid en levenswalg, wat hen in culinair opzicht een speciale charme verleent. De avontuurlijke frietliefhebber kan er gewoon niet aan voorbij. Gelukkig hoeft hij zich geen zorgen te maken over hun eventuele uitsterven, want caravan- en bustype kregen de laatste jaren nieuw leven ingeblazen door de container, de readymadefrituur bij uitstek. Hij is onverwoestbaar en beantwoordt vanuit het oogpunt der frietkotesthetica aan de beste verwachtingen. Men kan er niet naast kijken, en binnen is er plaats genoeg.
Het chalettype
Degelijker en fraaier afgewerkt dan de vorige twee is het chalettype, dat eruit ziet als een keurig weekendhuisje. Fris geschilderd en van lichtreclames voorzien, staat het strategisch opgesteld bij drukke kruispunten of op de parkings van baancafés. In tegenstelling tot barak of bus draagt de chaletfrituur altijd een naam, die accordeert met de kleinburgerlijke opsmuk van geruite gordijntjes, hangende bloempotten en smeedijzeren lantaarns: 't Keteltje of 't Fritpotje, Tip-Top, Snoepie of Fritto Bello.
Een variant is het ranchmodel, dat zich van de chalet onderscheidt door zijn buitenwand van ruwbeschorste planken en zijn ruige, in het hout gebrande benaming: El Gringo, Bonanza, Crazy Horse, Silver Star of Easy Rider. Beschilderde karrewielen, hoefijzers en vijfpuntige sterren nemen verder elke twijfel weg omtrent de bedoelde atmosfeer.
De frituurwagen De eerste frietkoten waren mobiel. Ze mochten 's nachts niet op straat blijven staan en werden dus elke avond naar een stalling gebracht. Pas na WO II konden ze een vaste standplaats verwerven. De frietkotbaas zette dan zijn kot op houten blokken, demonteerde de wielen en maakte de onderkant dicht, zodat men het gemakkelijk kan verwarren met het baraktype.
De hedendaagse ambulante frituren die opduiken op markten of bij sportwedstrijden zijn lichter van constructie en meestal van onder tot boven geprefabriceerd. Ze hebben weinig frietkotsfeer, en de uitbater zal dan ook met stickers, clubwimpels en vakantiekaartjes de taaie onpersoonlijkheid van zijn model STANDARD, PRESTIGE of ELITE pogen te doorbreken.
De frietannex
Dit type onderscheidt zich van de vier voorgaande doordat het niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van een groter geheel. Het vormt een uitbreiding bij een café of restaurant, waarmee het via een zij- of achterwand verbonden is, zodat niemand nog kan uitmaken waar het frietkot precies begint of ophoudt.
Als het hoofdgebouw een café is, dan zijn cafébaas en frietbakker tijdens de stille uren één en dezelfde persoon, die men met een belletje bij zijn ketels kan doen verschijnen. In het geval van de restaurantfrituur is de situatie minder duidelijk. De eigenaar weet dat het verkopen van friet een hinderlijk imago creeert, en probeert dus op allerlei manieren restaurant en frituur in de ogen van zijn klanten gescheiden te houden. Meestal zal hij in het frietkot het aanbod vrijwillig beperken, de sausbokalen aan het oog onttrekken, en al te nadrukkelijke blikvangers achterwege laten. De dubbele moraal blijkt nog duidelijker als elke frietkotgedaante vermeden wordt en er slechts een doorgeefluik aan straatzijde overblijft, liefst nog om de hoek. Zo loopt het frietkot onmerkbaar over in de gewone huisfrituur.
Bron: Ik heb deze tekst op het wereldwijde web gevonden, hij schijnt afkomstig te zijn uit een boek van Paul Illegems, aldus de linkpagina van Belgianfries.com.