home
naar Alice in Wonderland-index





INLEIDING
uit
Alice's Cook Book - John Fisher - 1975
Nederlandse uitgave: 1976 - ISBN 9022402053


Dat de Alice, die dank zij de fantasie van Lewis Carroll huiverend of verrukt haar weg vond door Wonderland en toen als een nevel verdween door de Spiegel, haar naam verbonden ziet aan een kookboek, zal niemand verrassen die de boeken over haar avonturen kent. Op de volgende bladzijden zal blijken, dat het aantal keren dat er in deze twee meesterwerkjes van Carroll wordt gesproken over eten en drinken evenredig is aan het aantal krenten in een Victoriaanse kerstpudding. Nauwelijks is zij een eindje afgedaald in het konijnenhol, of zij pakt een pot met het etiket "Sinaasappeljam" en zij is nog maar amper van haar ontreddering bekomen, of zij begint te piekeren over de nu spreekwoordelijke vragen: 'Eten katten vleermuizen?' en 'Eten vleermuizen katten?' De jampot blijkt leeg en het dringt tot Alice door, dat zij op dit ogenblik niets kan doen om haar kat Dina te voeren. Voor het eerst klinkt het thema, dat tot het einde zal blijven doorklinken.
Het is een thema van spanning en teleurstelling. Telkens als Alice zal gaan eten of drinken, worden haar pogingen daartoe op het laatste moment verijdeld of zij verandert traumatisch van gedaante door een gastronomische nawerking, een verandering die volslagen ondenkbaar is in onze wereld, tenzij wij ons bevinden in de spiegelzaal van een kermistent. 'Drink me' en 'Eet me' zijn uitnodigingen om enorme en tegenstrijdige metamorfosen te ondergaan. De theevisite bij de Hoedenmaker en de Maartse Haas is het droevigste verhaal van een verloren zaak: zij krijgt helemaal niets te eten. Het blijkt dat de spiegeltaart van de Leeuw en de Eenhoorn niet alleen niet kan worden gesneden, maar dat er geen stukje overblijft voor de verbaasde Alice, als hij zichzelf in punten snijdt. Bij het Spiegelbanket mist Alice de soep en de vis; de etiquette verhindert haar van het lamsvlees te eten en de flessen, mysterieus verbonden met de borden, krijgen vleugels. In de hofepisodes wordt het voedsel, in de vorm van gestolen jam en tulpebollen in plaats van uien, een bron van ellende en schuld. Het oestergedicht van de Walrus en de Timmerman en de soepepisode van Big en Peper staan bol van wreedheid.
Critici en psychoanalytici beschouwen deze associaties al heel lang als een latente obsessie van Carroll over de rivaliteit, die wel haar stempel heeft moeten drukken op een jeugd, die gedeeld moest worden met niet minder dan drie broertjes en zeven zusjes; een rivaliteit die ongetwijfeld in die jonge jaren en in zijn boeken tot uiting kwam in kieskeurigheid wat het eten betreft en ergernis over voortrekkerij. Dergelijke beweringen worden niet ontzenuwd door het feit dat het gastronomische thema reeds een rol speelt in de allervroegste werken van Carroll. Een gedicht 'Brother and Sister', al in 1845 geschreven (Carroll, oftewel Lutwidge Dodgson, is geboren op 27 januari 1832 en overleden op 14 janauri 1898) verhaalt, dat een jongen er niet in slaagt een soeppan van het keukenmeisje te lenen om lamsbouillon te trekken van zijn zusje en het eindigt met de moraal 'Stoof nooit je zusje'. Acht jaar later publiceerde Carroll in Mischmasch, een van de door hem uitgegeven tijdschriftjes tot 'stichting ende vermaak' van zijn familie, een gedicht 'The two brothers'. Hierin gebruikt de oudste jongen zijn jongere broer als aas aan een hengel:

De vissen kwamen bij dozijnen
Ze openden lustig hun bek
Het kind was zo jong en zo mals
Het prikkelde hevig hun trek.

Dit heeft tot gevolg, dat het hart van hun zusje 'in drieën brak' en wij horen haar klagelijk zeggen:

Een van de twee zal door en door nat zijn
en de andere komt te laat voor de thee.

Phyllis Greenacre, een van de felste verdedigers van deze theorie heeft ook de aandacht gevraagd voor een vroege tekening van Carroll, 'De schamele maaltijd', verschenen in The Rectory Umbrella, een ander familieblaadje. Bedoeld als parodie van een bestaand schilderij van J.F. Herring en als illustratie van 'het onheil van de homeopathie' (waarbij medicijnen in minimale hoeveelheden worden toegediend), heeft Carroll met grimmige lijnen een Spartaanse gezinsmaaltijd afgebeeld, waarbij bediend wordt door een butler, die bekent, dat er 'nog slechts een miljardste deel van een boterham' over is en dat de kokkin 'dit moet bewaren voor de volgende week', waarop de vrouw des huizes beveelt 'nog een biljardste deel' te bestellen bij de bakker. Op deze striptekening zegt een van de oudere jongens: 'Ik vrees dat er nog meer dan een halve druppel bier staat, maar die durf ik niet drinken.' Dit zou dan wijzen op Carroll's matigheid; de broodmagerte van alle aanwezigen is kenmerkend voor zijn gewoonte - die spreekt heel duidelijk uit zijn eigen tekeningen voor de eerste druk van Alice in Wonderland - magere mensen abnormaal mager te tekenen en dikke mensen abnormaal vetlijvig. De theorie van de rivaliteit vindt krachtige steun in de klacht van een meisje tegen haar moeder over haar zusje: 'Mams, mag Sophie nou nog een molecule hebben? Ik heb duidelijk gezien, dat zij er daarnet al een heeft gehad.'
Er zijn echter ook heel wat mensen die deze rivaliteitstheorie als te ver gezocht beschouwen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat Alices moeilijkheden met eten en drinken iets meer zijn dan een fantasierijke overdrijving van ervaringen van een kind, met of zonder broertjes en zusjes, dat ooit is afgescheept met de traditionele antwoorden als 'Frisse lucht en sneeuwballen' of - korter - 'Niks, opgewarmd', als het zijn moeder vroeg wat zij die middag te eten zouden krijgen; dat ooit een snoepje werd afgenomen, omdat 'je niet mag eten tussen de maaltijden'; aan wie is ingeprent, dat in een wereld waar kinderen gezien maar niet gehoord mogen worden, dit in de eerste plaats geldt tijdens de maaltijden, die huiselijke schrijn van keurig gedrag.
Eén ding staat echter wel vast: zijn hele literaire loopbaan lang heeft Carroll zich bezig gehouden met het thema 'eten' en vooral met de obstakels, die aan dit eten in de weg werden gelegd als iemand hongerig was. Het mythologische titel-schepsel van zijn beroemde nonsens-rijm 'The hunting of the Snark'(1876) kan beschouwd worden als het symbool van voedsel. Dit geldt zeker voor de eerste van de 'vijf onmiskenbare kenmerken', die de nachtwacht noemt ter herkenning van het onvindbare schepsel:

'Het is mager en ingevallen, maar bros,
als een jas die te nauw is in de taille,
met de smaak van een dwaallicht.'

Het is opmerkelijk dat de nachtwacht op zijn speurtocht vergezeld wordt door een slager, die alleen maar bevers kan slachten en een bakker, die alleen maar huwelijks-taarten kan bakken 'waarvoor de grondstoffen niet beschikbaar waren'. Als de 'snark' tenslotte 'gevonden' wordt blijkt hij te behoren tot de klasse van de boojums en als je ooit een boojum tegenkomt, verdwijn je onmiddellijk in het niet - dat is ook het lot van de bakker aan het eind van het rijm.
Het laatste wat tijdens zijn leven van Carroll in druk verscheen was een inleiding tot een kinderverhaal van E.G. Wilcox 'The lost plum cake' (1897).


Tien jaar later verscheen de eerste druk van 'Feeding the mind' (De geest voeden), een lezing die hij oorspronkelijk in oktober 1884 had gehouden en die als aanhangsel in dit boek is opgenomen
[plaats ik t.z.t. - A.]. Carroll bepleit hierin dat wij zeker niet minder zorg moeten dragen voor de voeding van de geest dan voor die van het lichaam. Bijvoorbeeld: het eten van te veel pruimen zal onvermijdelijk leiden tot indigestie. Deze is alleen te genezen door een enorme dosis 'alleen maar lezen'. De voordracht is om twee redenen boeiend; aan de ene kant dank zij de subtiele grilligheid en aan de andere kant, omdat ze inzicht verschaft in de eetgewoonten van de schrijver zelf, op een manier waarop de speelse kanttekeningen in brieven aan zijn jonge virendjes - dansend op een koord, dat gespannen is tussen feiten en fantasie - dit niet doen. Op 22 januari 1878 schreef hij bijvoorbeeld Jessie Sinclair: "Ik kan je best een paar dingen noemen, waarvan ik houd; dan weet je wat je me voor mijn verjaardag kunt geven (ik ben eens in de zeven jaar jarig op de vijfde dinsdag in april). Nu dan, ik houd erg veel van een beetje mosterd op een dun plakje rosbief en ik houd van bruine suiker - maar die moet dan wel gemengd zijn met een beetje appelmoes om niet al te zoet te worden; maar misschien houd ik wel het meest van zout, waaroverheen een beetje soep is gegoten. Die soep voorkomt dat het zout te droog is en zorgt, dat het smelt."
Men weet nooit of dergelijke ontboezemingen meer au sérieux moeten worden genomen dan zijn opmerking in een andere brief, dat de letters R.S.V.P. onder een uitnodiging aanwijzingen geven over de kleding: Rode sjaal; Vest, paars.
Als hoogleraar in de wiskunde aan Christ Church College in Oxford ging zijn zelfdiscipline zover, dat zijn matigheid hinderlijk werd. Zijn lunch bestond altijd alleen maar uit een glas sherry met een droog biscuitje, zelfs als hij bij anderen te gast was. Zijn jonge vrienden stonden daar verstomd over, zo goed als hij verstomd stond over hun gezonde eetlust, die hij zelfs verafschuwde. Eten liet hem onverschillig als sociaal gebeuren, maar ook als wezenlijke biologische functie. Buiten de veilige muren van zijn eigen kamers in Tom Quad, de eetzaal en de docentenkamer van Christ Church wilde hij zelden iets weten van 'etentjes' - 'kletspraatjes onderhouden met saaie mensen' -, hetgeen iets kan openbaren over zijn verlegenheid, maar ook over het gezelschap waarijn hij zou moeten vertoeven. Uit principe nam hij nooit een uitnodiging aan; hij beschouwde die als een schending van zijn rechten zonder meer. Zijn steevaste weigering doet denken aan de reactie van Groucho Marx, die bedankte voor het hem aangeboden lidmaatschap van een selecte club in Hollywood, zeggend dat hij niet wilde behoren tot een club die bereid was hem als lid te aanvaarden: 'omdat u me hebt uitgenodigd kan ik niet komen'. Dit betekende niet dat hij zelf geen gasten uitnodigde. In 'Sylvie and Bruno Concluded' (1893) heeft hij geschreven: 'Het grote voordeel van dinertjes is dat je je vrienden ontmoet. Als je iemand wilt leren kennen, bied hem dan iets te eten aan. Dat moet je ook met een muis doen, als je die wilt zien.'
Hij nam zijn plichten als gastheer waar met dezelfde bijna militaire nauwkeurigheid die zijn hele dagelijkse leven regeerde, met uitzondering van het uur van naar bed gaan. Dit liet hij volledig afhangen van het werk dat hij die avond klaar wilde hebben. Zijn dagboeken onthullen ons hoe zorgvuldig hij de tafelschikking voor elk dinertje regelde. Hij hield ook precies bij wat hij zijn gasten had voorgezet om te voorkomen, dat die te vaak hetzelfde menu zouden krijgen. Maar dit laatste gebeurde niet feilloos.
Hij was het meest gesteld op 'diner à deux', waarbij zijn meest geliefde gasten jonge vriendinnetjes waren. In hun mémoires vinden wij de 'saus' bij zijn eigen kale aantekeningen. Edith Olivier schrijft in haar boek 'Without Knowing Mr Walkley' over een typisch Dodgson-dinertje: "Zijn faam in Oxford was zodanig, dat alleen in zijn geval de hand werd gelicht met de strikte regel van chaperonage. Onze directrice zou ons nooit zonder een chaperone laten uitgaan, maar daarvan wilde hij niets weten. "Ik houd alleen van een tête-à-tête dinertje," zei hij.' "Als je niet alleen kunt komen, kom je maar niet ..." Het eten was altijd eender. Slechts twee gangen: goed toebereide lamskoteletjes en daarna méringues. Na het eten een of twee glazen port en een uur later dronken wij thee."

Een ander vriendinnetje, Isa Bowman, heeft in haar eigen 'Story of Lewis Carroll' de wijze beschreven, waarop hij thee zette: "Hij was heel precies waar het thee zetten betrof. Dat deed hij altijd zelf en om te zorgen, dat de thee goed trok, liep hij precies tien minuten lang heen en weer door de kamer, zwaaiend met de theepot. Het idee dat een ernstige professor met een zwaaiende theepot door zijn kamer vol boeken liep, kan belachelijk lijken, maar alle kleine dingen in het leven hadden zijn volle aandacht en na de eerste verbazing besefte men al gauw de voordelen van deze zorgvuldigheid."
Later werd het ritueel nog aangevuld; hij had een speciaal instrument geconstrueerd, zo iets als de steel aan een steelpan, waarmee hij de ketel van het vuur kon pakken zonder zijn handen te branden of een pannelap te gebruiken, die altijd zoek was. Zijn jonge gasten genoten op allerlei manieren. Hij was er dol op hen in speciale kleding te fotograferen, hetgeen een heel karwei was in een tijd toen er nog geen camera's met droge platen bestonden. Hij deed spelletjes met hen, puzzelde en liet hun truucjes zien, die hij bedacht had. Zo placht hij een speeldoos achterstevoren te laten afdraaien. liet hij een speelgoedbeer achteruit lopen of een zelfgemaakte vleermuis vliegen. Maar in Cornhill Magazine van juli 1932 laat Alice Liddell, die Carroll inspireerde tot zijn Alice, er geen twijfel over bestaan, wat het uitgesproken hoogtepunt vormde van een bezoek aan Dodgson: het luisteren naar zijn verhalen: "Wij plachten naast hem te zitten op de grote canapé, als hij ons verhalen vertelde, die en passant versierend met tekeningen in potlood of inkt ... zijn voorraad fantastische verhalen leek onuitputtelijk, maar hij maakte ze onder het vertellen, terwijl hij voortdurend bezig bleef op het grote stuk papier."
Maar Alice zat niet alleen naast hem op de canapé: "Als wij een middag de rivier opgingen met meneer Dodgson - en dat gebeurde hoogstens vier of vijf maal per zomer - had hij altijd een mandje met cakes bij zich en een ketel, waarin wij theewater kookten onder het dak van een lege hooischuur. Een heel enkele keer gingen wij de hele dag met hem uit en dan namen wij een grote picnicmand mee met koude kip, sla en nog veel meer." Tijdens zo'n picnic vertelde Dodgson op 4 juli 1862 voor de eerste maal 'Avonturen van Alice in Wonderland'.

De bedoeling van dit boek is een handige blauwdruk te leveren voor lezers van alle leeftijden die willen avonturen op een terrein dat een dimensie verder ligt dan de gedrukte bladzijde, in een wereld die niet te ver af ligt van Carrolls eigen fantasie, waarin het al mogelijk was dat korsten je haren laten krullen en waarin konijnen - natuurlijk witte - getuigen dat het eten van oranje wortels goed is voor het gezichtsvermogen.