aardappelbak
| bak waarin aardappels worden bewaard of geschild |
aardappelbeurs |
beurs voor de aardappelhandel |
aardappelbier | van aardappels gemaakt bier |
aardappelbies | bezinksel uit afvalwater van aardappelmeelfabrieken |
aardappelbloesem | bloesem van de aardappelplant |
aardappelboer | 1. boer die aardappels verbouwt 2. aardappelverkoper |
aardappelboor of aardappelkruk | ijzeren koker waarmee pootgaten worden gemaakt bij het poten van aardappels |
aardappelbovist | paddestoel, die op een aardappel lijkt |
aardappelbrandewijn | brandewijn uit aardappels gestookt |
aardappelbuik | 1. ziekelijk opgezwollen buik (door overmatig of uitsluitend eten van aardappels) 2. iemand die veel van aardappels houdt |
aardappelfoezel | foezel (vluchtige, kleurloze, olieachtige vloeistof), die bij de bereiding van aardappeljenever gevormd wordt |
aardappelgraaf | kleine schop voor het rooien van aardappels |
aardappelgries | meel van aardappelvlokken |
aardappelgroeze | aardappelloof |
aardappelhakker | werktuig waarmee men een aardappelveld van onkruid zuivert |
aardappelharp | zeef om aardappels mee te sorteren |
aardappelkanker | aardappelziekte |
aardappelkever | coloradokever, voedt zich hoofdzakelijk met het loof van aardappels |
aardappelknolrups | rups van het aardappelmotje |
aardappelkrul | ziekte in de aardappelplant |
aardappelkuil | met stro en aarde bedekte kuil om de aardappels vorstvrij en fris te bewaren |
aardappellichter | werktuig om aardappelplanten uit de grond te lichten |
aardappelmaat | maat om aardappels te meten |
aardappelmandje | mandje waarin men aardappels bewaart, vervoert en schilt |
aardappelmoeheid | verschijnsel, dat een stuk land op den duur ongeschikt wordt voor de aardappelteelt, veroorzaakt door aaltjes |
aardappelmot | een motje waarvan de rups aardappels aanvreet |
aardappelploeg | rooimachine |
mud aardappels | 1 hectoliter, ouderwetse maat die slechts gebruikt wordt voor aardappels en kolen |
piepers jassen | aardappels schillen |
aardappelpoothout | puntige stok waarmee gaten in het land worden gestoken om daar aardappels te poten |
aardappelpoter | 1. kleine aardappel die gepoot wordt 2. iemand die aardappels poot |
aardappelpriem | aardappelpootijzer |
aardappels rooien | het oogsten van aardappels |
aardappelrooier | 1. een soort ploeg of vork waarmee men aardappels rooit 2. iemand die aardappels rooit |
aardappelschilmesje | mesje dat wordt gebruikt om aardappels mee te schillen |
aardappelschout | marktmeester belast met het verkopen van aardappels |
aardappelschrapper | machine om aardappels mee te schrappen |
aardappelschurft | aardappelziekte |
aardappelspek | spek van een varken dat hoofdzakelijk met aardappels is gemest, minder van kwaliteit |
aardappelstronk | op zichzelf staande aardappelplant, wanneer die al gestoeld is |
aardappelstroop | blanke stroop, die uit zetmeel van aardappels bereid wordt, voornamelijk voor het maken van likeuren, bonbons, jams en door banketbakkers gebruikt |
aardappelteelt | het verbouwen van aardappels |
aardappelvezels | bij bereiding van zetmeel uit aardappels overblijvende vezels, die als veevoer gebruikt worden |
aardappelvlo | een voor de aardappelteelt schadelijk insect |
aardappelweer | weer dat gunstig is voor de groei van aardappels ('lekker aardappelweertje') |
aardappelwratziekte | aardappelziekte |
aardappelzak | 1. zak met aardappels 2. iemand die veel van aardappels houdt |
aardappelziekte | ziekte in het loof of de knol van de aardappelplant, onder drie vormen bekend: de krul, de schurft en de kanker; meestal wordt de laatste bedoeld, veroorzaakt door een schimmel |